Architectuur
Gepubliceerd op: 15-12-2016
Geprint op: 20-05-2019
https://www.rotterdam.nl/wonen-leven/architectuur/
Spring naar het artikel
Foto: gemeente Rotterdam

De ontwikkeling van de Kop van Zuid en de hoogbouw in het centrum trekken veel aandacht in de media. Met de kubuswoningen van Piet Blom zijn ze uitgegroeid tot een toeristische attractie.

Voor de gewone Rotterdammer klinkt het geluid van een heistelling als muziek in de oren. Bouwputten en opgebroken straten zijn een teken van activiteit en vitaliteit. Die stad komt nooit af. Voor de doorsnee bezoeker is Rotterdam als architectuurstad misschien iets nieuws. Het vooroorlogse Rotterdam stond bekend om zijn lelijkheid en slechte woonomstandigheden. In de wederopbouwperiode kreeg Rotterdam vooral een zakelijk imago door de vele hoogbouw.

Rotterdam is dé hoogbouwstad van Nederland. Dat was ook al zo in de jaren zestig en de jaren dertig van de twintigste eeuw. De eerste Nederlandse wolkenkrabber werd al eind negentiende eeuw in Rotterdam gebouwd: het Witte Huis.

Je kunt je amper meer voorstellen dat dit 42 meter hoge gebouw toen het hoogste kantoorgebouw van Europa was. Vooral door het Amerikaanse uiterlijk en het uitzichtplatform op het dak had het gebouw grote bekendheid. De constructie was trouwens traditioneel. Geen beton- of staalconstructie maar dikke bakstenen wanden.

Bouwtechniek

Hoogbouw was eind negentiende eeuw mogelijk geworden door een aantal technische vindingen en verbeteringen in de bouwtechniek. Staal en gewapend beton vergemakkelijkten de hoogbouw. De introductie van de lift in 1854 maakte hoogbouw ook praktisch bruikbaar. In 1889 was de 300 meter hoge Eiffeltoren op de Parijse Wereldtentoonstelling een bijzonder staaltje moderne bouwtechniek. Er was natuurlijk voor de bouw van het Witte Huis ook in Nederland al hoog gebouwd. De toren van de Sint-Laurenskerk is 64 meter hoog. De Dom van Utrecht uit 1517 had met 105 meter lange tijd het Nederlandse hoogterecord.

Schoorstenen

Ook bij utilitaire gebouwen als molens, schoorstenen, bruggen en watertorens werden grote hoogtes bereikt. Momenteel zijn twee schoorstenen van Shell bij Pernis met 213 meter de hoogste constructies in Rotterdam. De zendmast bij de Waalhaven is begin jaren negentig verhoogd tot 199 meter. Het hoogste punt in Rotterdam blijft de Euromast. Met de Spacetower (1970) kunt u tot 184 meter komen. Het hoogste punt van Nederland is de straalzender bij Lopik van 376 meter. Dat is meer dan vijftig meter boven de Vaalserberg.

Het hoogterecord voor een Rotterdams kantoorgebouw ging in 1931 naar het 64 meter hoge GEB-gebouw. De Medische faculteit van de Erasmusuniversiteit nam dit record met 114 meter over (1969). Lange tijd was het hoofdkantoor van Nationale Nederlanden met 151 meter het hoogste gebouw van Nederland. Nu is dat woon-en kantoortoren Montevideo ( 152,32 meter)

De Euromast is met 184 meter het hoogste bouwwerk van Rotterdam.

Kantoorgebouwen

Hoogbouw heeft een belangrijke functie als landmark. Veel grote bedrijven zien een hoog eigen kantoorgebouw als een belangrijk visitekaartje. Eind jaren zestig was er een eerste bescheiden hoogbouwgolf in het centrum van Rotterdam. Hoogtepunten waren het Bouwcentrum, de Coolse Poort en het tweede Shellgebouw. Deze 95 meter hoge toren werd door het toenmalige gemeentebestuur niet gewaardeerd. De bouw van deze 'laatste erectie van het grootkapitaal' leidde tot een hoogbouwstop in het centrum. Kleinschaligheid werd het thema. Ver buiten het centrum pieken de Europointtorens (92  meter) en hoogbouw van de Erasmusuniversiteit (78 meter) eigenwijs omhoog.

Tweede hoogbouwgolf

Dezelfde wethouder Mentink die de hoogbouw verketterde stond aan de basis van de tweede hoogbouwgolf. De in 1982 in Rotterdam opgerichte Stichting Hoogbouw zorgde voor belangrijke impulsen. Net als de lofzang van Rem Koolhaas op de hoogbouw van Delirious New York. De groene spiegelglazen WTC-toren (93 meter) boven de Beurs werd een symbool van het nieuwe Rotterdamse elan. Vanaf 1986 werd een groot aantal hoge kantoorgebouwen in het centrum gebouwd. Vooral langs het Weena, de Coolsingel en de Boompjes. Sinds 1998 wordt de hoogbouw naar advies van John Worthington geconcentreerd. Dit gebeurt in een zone die loopt vanaf het Centraal Station tot de Kop van Zuid. Plannen voor superhoogbouw, zoals een 350 meter hoge toren nabij de Euromast, komen nog niet van de grond.

Woongebouwen

Behalve voor kantoorgebouwen is hoogbouw ook populair voor woningbouw. In de jaren dertig experimenteerde architect Van Tijen als eerste met dit nieuwe gebouwtype. Moderne architecten hadden hiervan grote verwachtingen. De architecten van het Nieuwe Bouwen zagen hoge woongebouwen in het groen als een ideaalbeeld voor de toekomst. Dit was in navolging van de visionaire Franse architect en stedenbouwkundige Le Corbusier. Van Tijen ontwierp in 1933 de Parklaanflat. Met 30 meter hoogte komt het gebouw niet eens zoveel boven de aangrenzende herenhuizen uit. De Bergpolderflat uit 1934 was de eerste galerijflat, een later veel toegepast gebouwtype. Het hoogste Rotterdamse woongebouw was de 43 meter hoge flat aan het Ungerplein van Van den Broek (1936). In 1956 werd de 45 meter hoge Maastorenflat het hoogste woongebouw van Nederland.

Van Tijen zag in tegenstelling tot andere architecten hoogbouw niet als oplossing van het woningvraagstuk. Hij vond hoogbouw niet geschikt voor gezinnen met kinderen. Eind jaren zestig kreeg hoogbouw een slecht imago door wijken als de Bijlmermeer. Het begrip flatneurose ontstond.

Literatuur

  • R. Bergh, J. Rutten (red.) - De fascinatie van hoogbouw, Rotterdam, 1985
  • B. Rebel (red.) - Hoog in Nederland, Amsterdam, 1986
  • Diverse auteurs - De Slanke Stad, Magazine De Slanke Stad 1, Rotterdam 1995
  • E. Koster, Th. van Oeffelt - Hoogbouw in Nederland 1990-2000, Rotterdam 1997
  • Diverse auteurs - Wonen in de Wolken, Magazine De Slanke Stad 2, Rotterdam 1998
  • Diverse auteurs - Zooiets Amerikaansch! 100 Jaar Hoogbouw in Rotterdam, Magazine De Slanke Stad 3, Rotterdam, 1999
  • Diverse auteurs - Hoogbouw Moet! - Magazine De Slanke Stad 4, Rotterdam 2000
  • B. Maandag - Rotterdam hoogbouwstad, Rotterdam, 2001
  • Diverse auteurs - Hoog Boven Rotterdam, Magazine De Slanke Stad 5, Rotterdam 2004

Rotterdam architectuurstad

Onder architecten had Rotterdam al sinds het begin van de twintigste eeuw een goede naam. De woningbouwprojecten van Michiel Brinkman en J.J.P. Oud. De eerste experimenten met hoogbouw van Van Tijen. De Van Nellefabriek van Brinkman & Van der Vlugt. Al deze projecten maakten Rotterdam de bakermat van het Nieuwe Bouwen. De befaamde Franse architect Le Corbusier was lyrisch over dit modernistische en sociale bedrijfscomplex. Ook de tuinsteden waren vernieuwend.

Na de Eerste Wereldoorlog komt in Europa een nieuwe architectuurstroming op. In Nederland spreekt men van het Nieuwe Bouwen (of de Nieuwe Zakelijkheid). In Angelsaksische landen van het Modern Movement of the International Style.

Ook de benaming functionalisme wordt wel gehanteerd. Een populaire benaming is moderne architectuur. Omdat modern ook hedendaags betekent is dit wel eens verwarrend.

Vernieuwingen in de beeldende kunst

Het Nieuwe Bouwen loopt parallel met de twintigste-eeuwse vernieuwingen in de beeldende kunst. Zoals de abstracte kunst van het kubisme en De Stijl. Deze architectuur werd mogelijk door de nieuwe bouwtechnische mogelijkheden van de industriële revolutie. Gewapend beton en staal maken skeletconstructies mogelijk. En dus ook het gebruik van glas als gevelmateriaal. Platte daken maken een dakterras mogelijk. Er is een voorkeur voor wit en primaire kleuren. Ornamenten zijn uit den boze. Eén architect vergelijkt ornamenten met tatoeages. Die vind je volgens hem alleen nog bij primitieve volkeren en gevangenisboeven. Massaproductie vervangt ambachtelijke technieken. In de stedenbouw zijn in het tbc-tijdperk licht en lucht de kernwoorden. De sombere gesloten bouwblokken en onhygiënische rug-aan-rug- en alkoofwoningen worden vervangen door strokenbouw en hoogbouw. Deze woningen met grote ramen en balkons zijn optimaal op de zon gericht.

Geen stijl

Het belangrijkste principe van het Nieuwe Bouwen is dat het geen stijl zou zijn. Het zou een einde maken aan historische stijlen en esthetica. Een gebouw moet een technisch, economisch en functioneel antwoord zijn. Een functioneel gebouw is automatisch een mooi gebouw. Dit is het principe 'form follows function'. Zo is een functioneel vormgegeven klauwhamer ook een mooi ontwerp.

Rotterdam bakermat van Het Nieuwe Bouwen

Nederland speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van het Nieuwe Bouwen. Doordat Nederland neutraal was in de Eerste Wereldoorlog is er weinig oorlogsschade en stond het culturele leven niet stil. Daarnaast pionieren Mondriaan en Van Doesburg met abstracte, moderne kunst en richten zij het tijdschrift De Stijl op.

Ook in andere landen zijn pioniers. In Frankrijk de van origine Zwitserse architect Le Corbusier. In Rusland de constructivisten. In Duitsland Walter Gropius en Ludwig Mies van der Rohe, later actief bij het Bauhaus.

Rotterdam is tussen de wereldoorlogen de bakermat van het Nieuwe Bouwen. Het is een snel groeiende, dynamische stad met havens en industrieën.  Rotterdam heeft weinig historisch belangrijke gebouwen. In Amsterdam en Utrecht, in het Gooi en op het platteland houden schoonheidscommissies niet van nieuwe moderne architectuur. Daar bestaat een voorkeur voor traditionele vormen en materialen als baksteen en riet.

Vooruitstrevende architecten

In Rotterdam werkten enkele belangrijke moderne architecten. De vooruitstrevende architect J.J.P. Oud, medewerker van De Stijl, werkt als architect voor de Gemeentelijke Woningdienst. Hij ontwerpt de niet onomstreden gevel van Café De Unie en woonwijken als de Kiefhoek.

Wethouder Heijkoop, bijgenaamd Arie Beton, is voorstander van dit moderne bouwmateriaal, waarmee enkele wijken op zuid worden gebouwd. J.H. van den Broek en W. van Tijen pionieren in de woningbouw met open verkavelingen en hoogbouw. Belangrijkste vertegenwoordiger van het Nieuwe Bouwen is ongetwijfeld het architectenbureau Brinkman & Van der Vlugt. Zij zijn verantwoordelijk voor de Van Nellefabriek, Huis Sonneveld en Stadion Feijenoord. En voor een telefooncel (de eerste voorloper van model 1100 werd in 1932  in Utrecht geplaatst).

Communistisch

Tegenstanders zien het Nieuwe Bouwen als communistisch en in strijd met de baksteentraditie van ons land. In de stedenbouw ligt inderdaad de nadruk op de collectiviteit en veel architecten sympathiseren met de Sovjet-Unie. Nederlandse architecten als Mart Stam en Han van Loghem werken een tijdje in Siberië. Stam ontmoet daar Lotte Beese, die na de Tweede Wereldoorlog als stedenbouwkundige in Rotterdam actief is.

De moderne materialen en technieken hebben eerst nog last van kinderziektes. Platte daken zijn lastig in ons klimaat. De grote glaswanden zijn te warm in de zomer en te koud in de winter. Eind jaren dertig wint het traditionalisme weer terrein. De strijd tussen Nieuwe Bouwen en traditionalisme is goed te zien in het Museumpark. De moderne witte villa's zijn in dezelfde periode gebouwd  als museum Boijmans. Het museum heeft een statige entree, sombere bakstenen wanden en niet-functionele toren.

Wederopbouw

Na de Tweede Wereldoorlog wordt de moderne architectuur snel belangrijker. De wederopbouw vraagt om massaproductie en sobere, zakelijke architectuur. Met architecten als Van den Broek & Bakema, Maaskant en Groosman krijgt de Rotterdamse architectuur nieuwe impulsen. Eind jaren zestig wordt de moderne architectuur vaak in kil en grootschalig. Met de kleinschaligheid en het postmodernisme ontstaan tegenbewegingen. In de jaren tachtig van de twintigste eeuw beleeft het Nieuwe Bouwen een opmerkelijke opleving. De Stijl-kleuren en -motiefjes worden populair. In de architectuur grijpen veel architecten terug op het Nieuwe Bouwen: witte, gepleisterde gevels, primaire kleuren en kubistische vormen. Deze ooit puur functionele vormprincipes worden nu vooral esthetisch toegepast. Opnieuw door vooral Rotterdamse neo-modernistische architecten als Mecanoo en DKV.

Literatuur

  • J. Nycolaas e.a. - Bouwen '20-'40. De Nederlandse bijdrage aan het Nieuwe Bouwen, Eindhoven 1971
  • Diverse auteurs - Het Nieuwe Bouwen   Rotterdam 1920 1960, Delft, 1982
  • M. Kuipers   Bouwen in beton, experimenten in de volkshuisvesting voor 1940, 's Gravenhage, 1987
  • B. Rebel - Het Nieuwe Bouwen, het Functionalisme in Nederland 1918-1945, Assen 1983
  • S. Cusveller (red.) - Tuindorp in beton: bouwexperimenten op Zuid 1921-1929, Rotterdam 1989
  • T. Eliëns - Het Nieuwe Bouwen in Nederland, 1924-1936, Rotterdam 1990
  • E. Mattie, J. Derwig - Functionalisme in Nederland, Amsterdam, 1995
  • J. Molema - The New Movement in the Netherlands 1924-1936, Rotterdam 1996

Door de industriële revolutie trekken midden 19e eeuw veel arbeiders van het platteland naar de grote steden. Daar komen ze terecht in slechte woningen, smalle straten en snel gebouwde wijken. Soms letterlijk onder de rook van de fabrieken.

De hygiënische omstandigheden zijn slecht en er heerst tbc. en cholera. Door die slechte woonomstandigheden ontstaat in Engeland de tuinstadgedachte. Ebenezer Howard formuleert in het boek Garden Cities of Tomorrow het idee om in een groene omgeving satellietsteden  te realiseren, die in hun eigen bestaan konden voorzien.  Deze fabrieksdorpen of company-towns ontstaan vooral in Engeland en Amerika.

In Nederland is het eerste tuindorp gesticht door de Delftse Gist- en Spiritusfabriek. De directeur J.C. van Marken woonde zelf centraal in de wijk. Andere bekende fabrieksdorpen zijn vaak pas begin twintigste eeuw gerealiseerd, zoals Heveadorp bij Veenendaal, het Snouck van Loosenpark in Enkhuizen. Ook bij de mijnen in Zuid-Limburg, de textielfabrieken in Twente en de Philipsfabrieken in Eindhoven waren speciale huisvestingsprojecten voor arbeiders.

Eigenbelang

Helemaal filantropisch zijn deze projecten trouwens niet. Door de betere huisvesting zullen de arbeiders minder vaak ziek zijn en een grotere productie kunnen leveren. Bovendien kan men in de fabrieksdorpen een zekere controle uitoefenen op de vrije tijd van de arbeiders. Door de afwezigheid van café's probeert men het alcoholisme terug te dringen. Ook zijn de zo dichtbij gehuisveste arbeiders snel beschikbaar bij onvoorziene omstandigheden. Toch gelden de fabrieksdorpen als lichtend voorbeeld voor de volkshuisvesting. Die werd met de Woningwet van 1901 ook door de overheid opgepakt.

Tuindorpen in Rotterdam

In Rotterdam sticht de Rotterdamse Droogdok Maatschappij een tuindorp op Heijplaat, nabij de werf. Tussen 1914 en 1918 zijn naar ontwerp van de Amsterdamse architect Hendrik Baanders 400 arbeiderswoningen op een L-vormig terrein gerealiseerd. Behalve laagbouwwoningen in het groen bevatte de wijk voorzieningen. Drie identieke kerken, een wijkgebouw, een jonggezellenhuis, winkels, scholen, een bibliotheek en een was- en badinrichting.

Enkele jaren later richt K.P. van der Mandele de NV Eerste Rotterdamsche Tuindorp op. Zijn doel was 'een of meer tuindorpen voor de minder draagkrachtige klassen te bouwen.' In 1916 wordt een terrein in de Varkenoordse Polder aangekocht. Op een basisplan van Berlage wordt het tuindorp Vreewijk ontworpen. De wijk wordt tussen 1917 en 1942 gebouwd.

Het oorspronkelijke Witte Dorp van J.J.P. Oud was verwant, maar had met de witgepleisterde gevels en primaire kleuren een modernistischer uitstraling. Ook in de betonwijken De Kossel en Stuhlemeijer in Rotterdam-Zuid  zijn elementen van de tuinstadgedachte te zien. De noodwoningen Wielewaal is een naoorlogse variant van de tuinstad.

Wederopbouw

Na de Tweede Wereldoorlog keert de tuinstadgedachte terug bij de meeste uitbreidingswijken. De open planning met veel groen wordt bijna unaniem met modernistische, collectieve woningbouw ingevuld. In Amsterdam spreekt men bij de wederopbouwwijken van de Westelijke Tuinsteden. De laagbouwgedeeltes van wijken als Pendrecht, Zuidwijk en Lombardijen, de zgn. zuidelijke tuinsteden, zijn een moderne variant van de tuinstadgedachte.

Hoogvliet is bijna een complete tuinstad. Dit gebied was eind jaren zestig met 40 vierkante meter groen per inwoner de groenste plaats van Nederland. Ook de grootschalige groenvoorzieningen als parken en sportvelden zijn ook bepalend voor het groene karakter van de naoorlogse tuinwijken.

Aan het eind van de twintigste eeuw worden de tuindorpen geherwaardeerd. Heijplaat wordt niet gesloopt, maar net als Vreewijk gerenoveerd. Het tuinstadconcept wordt opnieuw gebruikt bij nieuwbouwwijken, zoals Dierdonk bij Helmond.

Literatuur

  • S. Cusveller (red.) - Tuindorp in beton: bouwexperimenten op Zuid 1921-1929, Rotterdam 1989
  • R. Schreijnders - De droom van Howard. Het verleden en de toekomst van de tuindorpen, Rijswijk, 1991
  • A. Reijndorp, H. van der Ven - Een reuze vooruitgang. Utopie en praktijk in de Zuidelijke Tuinsteden van Rotterdam, Rotterdam 1994
  • J. Tellinga - De Grote Verbouwing. Verandering van naoorlogse woonwijken, Rotterdam 2004

Wederopbouw

Na de Tweede Wereldoorlog oogstte de wederopbouw van de stad veel bewondering bij stedenbouwkundigen. De radicale vernieuwing van het stadscentrum was bijzonder. In de meeste steden werd namelijk de oude stad gereconstrueerd. Tegenwoordig worden tien naoorlogse wijken onderscheiden.

Wederopbouw is het herstel van de schade aan ons land na de Tweede Wereldoorlog. Door het bombardement van 14 mei 1940 behoort Rotterdam tot de zwaarst getroffen steden. Bijna het complete centrum van de stad werd weggevaagd.

Hierbij werden 24.000 huizen, 2.400 winkels en nog zo'n 4.000 gebouwen verwoest. Ook delen van Kralingen en het Noordereiland zijn getroffen. Later in de oorlogsjaren werden nog verwoestingen aangericht in de havengebieden. Door een geallieerd vergissingsbombardement op het westelijk deel van de stad in 1943 werden nog eens 2.600 woningen verwoest.

Wederopbouwplan

De herbouw van de stad wordt krachtdadig aangepakt. Op 18 mei 1940 krijgt stadsarchitect Witteveen de opdracht een Wederopbouwplan te maken. Binnen tien dagen zet hij de belangrijkste punten op papier. Het bombardement was natuurlijk rampzalig. Maar het bood wel de kans de stad nieuw op te bouwen. En daarmee een groot aantal stedenbouwkundige problemen op te lossen. Vanaf het begin was het uitgangspunt een nieuwe opzet van het centrum. En dus niet herstel van het stratenpatroon en restauratie van belangrijke gebouwen. De 144 panden die technisch gesproken nog konden worden hersteld werden gesloopt. Alleen de Sint-Laurenskerk en het Schielandshuis bleven staan.

Van uitvoering van de plannen komt eerst weinig. Tijdens de oorlogsjaren komt de bouw vrijwel geheel stil te liggen. Wel wordt het puin geruimd en gebruikt om waterlopen als de Schiekade, de Blaak en de Schiedamse Vest te dempen. Aan het eind van de oorlog wordt Witteveens monumentale, pittoreske stadsplan terzijde geschoven. Dit gebeurt onder invloed van Van Nelle-directeur Kees van der Leeuw en de Club Rotterdam. Witteveens assistent Van Traa tekent het nieuwe Basisplan. Het nieuwe centrum krijgt een rigoureuze nieuwe opzet met de Coolsingel als centrale boulevard.

Scheiding functies

De scheiding van functies is een van de nieuwe stedenbouwkundige inzichten. Alleen kantoren, winkels en andere centrumfuncties komen in het centrum; woningbouw wordt in buitenwijken gedacht. Het Basisplan was vooral een wegenschema en juridisch kader, dat ruimte bood aan verschillende invullingen. Een nieuw hoofdwegennet zorgt voor een efficiënte verkeersafwikkeling. Nieuwe elementen zijn bedrijfsverzamelgebouwen en het winkelcentrum De Lijnbaan, een verkeersvrij voetgangersgebied. Er wordt veel gewerkt met expeditiehoven.

Wederopbouwarchitectuur

De architectonische uitwerking van het Basisplan is in handen van Rotterdamse architecten. Denk aan Van den Broek & Bakema, Maaskant & Van Tijen, Kraaijvanger, Elffers en andere bureaus. Langzaam vervagen de tegenstellingen tussen traditionalistische en moderne architecten. De architectuur krijgt de typische Wederopbouwsignatuur, waarin een zakelijke, functionele opzet is gecombineerd met decoratieve elementen. Belangrijke monumenten van de wederopbouw zijn:

  • de bankgebouwen langs de Blaak
  • de warenhuizen Ter Meulen, C&A, Vroom & Dreesmann en de Bijenkorf
  • het Groothandelsgebouw
  • de Lijnbaan
  • bioscoop Thalia
  • het Stationspostkantoor
  • het Centraal Station.

Vooral in de doorsnee-architectuur van bijvoorbeeld Pannekoekstraat, Hoogstraat en Mariniersweg is de sfeer van de wederopbouw nog voelbaar.

In de economische hausse aan het eind van de twintigste eeuw werd veel wederopbouwarchitectuur gesloopt of bedreigd. Tegelijkertijd ondervond deze architectuur een herwaardering en sinds 1999 hebben een aantal gebouwde een beschermde status als gemeentelijk monument.

Enthousiasme

Behalve een voor Rotterdam belangrijke fase met een karakteristieke architectuur en stedenbouw is de Wederopbouw een periode van optimisme. Welvaart in zwart wit is de goed getroffen titel van een boek over het naoorlogse Nederland. De wederopbouw wordt in Rotterdam door het publiek met groot enthousiasme beleefd.

Sinds 1947 bestaat de jaarlijkse Opbouwdag op 18 mei, ter herinnering aan de datum waarop Witteveen aan zijn wederopbouwplan begon. Vanaf 1946 worden er wederopbouwritten georganiseerd, waarbij geïnteresseerden per bus langs bouwprojecten werden gevoerd. Grote tentoonstellingen als Rotterdam Straks (1947), De Maasstad in de Steiger (1949) en Ahoy' (1950) worden goed bezocht. In 1965 wordt de wederopbouw afgesloten met de publicatie Rotterdam Stad in Beweging van Rein Blijstra. De fotoboeken van Cas Oorthuys, Ed van Wijk, Kees Molkenboer en Jan Roovers geven een goed tijdsbeeld.

Kritiek

In de jaren zeventig is er vooral kritiek op de zakelijke, ongezellige wederopbouwstad en wordt deze architectuur verguisd. Begin jaren negentig, als de eerste gebouwen uit de wederopbouw worden gesloopt, komt er een herwaardering voor de architectuur. In 1995 wordt 50 jaar wederopbouw gevierd met diverse publicaties en een grote tentoonstelling. Op 18 mei wordt de Nieuwe Delftse Poort geopend. Dit is niet het enige wederopbouwmonument. Het befaamde beeld 'Verwoeste Stad' van Ossip Zadkine staat al sinds 1953 op het Plein 1940.

Literatuur

  • W. van Tijen, H.A. Maaskant, J. Brinkman, J.H. van den Broek - Woonmogelijkheden in het nieuwe Rotterdam, Rotterdam 1941
  • H.M. Kraayvanger - Hoe zal Rotterdam bouwen?, Rotterdam 1946
  • C. van Traa (red.) - Rotterdam. De geschiedenis van tien jaren wederopbouw, Rotterdam 1955
  • J.A.C. Tillema - Tweemaal Rotterdam 1945-1960, Rotterdam 1960
  • R. Blijstra - Rotterdam, Stad in Beweging, Rotterdam 1965
  • P.P. de Winter - Ahoy' E55 Floriade C70. Evenementen in Rotterdam, Rotterdam 1988
  • E. Roelofsz - De frustratie van een droom, de wederopbouw van Rotterdam, 1940-1950, Rotterdam 1989
  • C. Wagenaar - Welvaartsstaat in wording. De wederopbouw van Rotterdam 1940-1952, Rotterdam 1992
  • H. Liesbrock, S. Blumberger (red.) - Die neue Stadt; Rotterdam im 20. Jahrhundert. Utopie und Realität, Stuttgart, 1993
  • G. Andela, C. Wagenaar - Een stad voor het leven. Wederopbouw Rotterdam 1940-1965, Rotterdam 1995
  • M. Aarts (red.) - Vijftig Jaar Wederopbouw Rotterdam, een geschiedenis van toekomstvisies, Rotterdam 1995
  • E. de Lange - Sober en Solide. De wederopbouw van Nederland 1940-1965, Rotterdam, 1995
  • Comité Wederopbouw - Wederopbouw Rotterdam 1940/1965, Rotterdam 1996 (cd-rom)
  • J.F.H. Roovers, H.A. Voet, A. Tak - Unieke Rotterdamse jaren gezien door J.F.H. Roovers, een Rotterdamse fotograaf, Capelle aan den IJssel 1996

Bij de wederopbouw van Rotterdam had de herbouw van het centrum natuurlijk de hoogste prioriteit. Maar een paar steden in Nederland als Middelburg, Nijmegen, Arnhem en wat dorpen van Zeeuws-Vlaanderen kenden een vergelijkbare problematiek.

In de rest van Nederland was de wederopbouw vooral zichtbaar in de uitbreidingswijken. Die werden in hoog tempo rond de steden gebouwd. De strijd tegen de woningnood bepaalde de naoorlogse periode. In Rotterdam was die woningnood natuurlijk extra groot. De stad ondervond de gevolgen van de stilstand in de bouw tijdens de oorlogsjaren en de naoorlogse geboortegolf. Bovendien waren 25.000 woningen in het centrum verloren gegaan.

Snel na het bombardement werden enkele complexen met noodwoningen gebouwd. Zoals het Utrechtse dorp aan de Noorderhavenkade (gesloopt in 1961) en het Brabants Dorp aan het Zuidplein (gesloopt in 1966). De wijken Landzicht (1941), Tuindorp De Vaan (1944) en Wielewaal (1949) bestaan in feite nog steeds uit noodwoningen.

Vanaf 1946 werden in hoog tempo nieuwe wijken gebouwd. Velen zien de naoorlogse uitbreidingswijken als een op zichzelf staand verschijnsel met een eigen problematiek. Vermoedelijk is er veel meer continuïteit in de stadsplanning dan gedacht. Zo werden delen van Blijdorp, Schiebroek, Overschie, Carnisse en Oud-Mathenesse pas na de Tweede Wereldoorlog voltooid. Aan de uitbreidingswijken op de Linker Maasoever werd al vanaf 1917 ontworpen. De annexatie van omringende gemeentes werd in de jaren dertig bepleit en kreeg in 1941 zijn beslag. Het ging hierbij om bijvoorbeeld Schiebroek, Hillegersberg, IJsselmonde, Hoogvliet en Pernis.

Tien naoorlogse wijken

Tegenwoordig worden tien naoorlogse wijken onderscheiden die tussen 1946 en 1967 werden ontworpen:

  • Kleinpolder
  • Schiebroek
  • Honderdentien Morgen
  • Zuidwijk
  • Pendrecht
  • Lombardijen
  • IJsselmonde
  • Hoogvliet
  • Het Lage Land
  • Ommoord.

De gemeentelijke Dienst Volkshuisvesting met ontwerpers als Lotte Stam-Beese, Henk Milius en Peter van Drimmelen speelde hierbij een grote rol. Alleen Schiebroek en Honderdentien Morgen zijn door particuliere stedenbouwkundige bureaus ontworpen.

Bij de Wederopbouwwijken lag de prioriteit bij het in hoog tempo wegwerken van de woningnood. Maar in bepaalde wijken speelde ook de wijkgedachte een grote rol.

Wegwerken woningnood

Bij de Wederopbouwwijken lag de prioriteit bij de kwantiteit, het in hoog tempo wegwerken van de woningnood. Maar er werd ook geprobeerd een oplossing te vinden voor de problemen van de traditioneel opgezette wijken. Wijken met gesloten bouwblokken in een monumentale opzet. Uitgangspunt bij de naoorlogse stedenbouw was de scheiding van functies: wonen, werken en recreëren werden in aparte sectoren ondergebracht. Door de open stedenbouw verbeterde de bezonning en lichttoetreding van de woningen. Er was veel openbaar groen en een voorkeur voor collectieve groenvoorzieningen. Door de nijpende behoefte aan woningen werd gekozen voor snelle bouw met industriële bouwmethoden. Op 8 november 1962 werd de miljoenste naoorlogse woning opgeleverd. Een derde deel van de zes miljoen Nederlandse woningen is gebouwd  in de eerste 25 jaren na de oorlog.

Bij de zuidelijke tuinwijken Pendrecht en Zuidwijk speelde de wijkgedachte een grote rol. Er werden duidelijk begrensde wijken voor ongeveer 20.000 inwoners gebouwd, met een eigen centrum met voorzieningen. Hierdoor zou de sociale verbrokkeling en massaliteit van de grote stad worden tegengegaan. Een rijk gemeenschapsleven zou ontstaan.

Slaapwijken

De uitbreidingswijken werden steeds groter. IJsselmonde is met 420 hectare bijvoorbeeld net zo groot als Pendrecht (105), Zuidwijk (140) en Lombardijen (165) bij elkaar. Hoogvliet is een complete satellietstad met meerdere wijken. De woningbouw wordt eind jaren zestig steeds grootschaliger. In de plaats van laagbouw met vooral vierhoog etagewoningen komt hoogbouw. In de jaren zeventig oogsten de naoorlogse wijken veel kritiek. Vooral door het massale karakter, de te open stedenbouw en de anonieme, zakelijke architectuur. Door de scheiding van functies zijn slaapwijken ontstaan. Toch komen de kwaliteiten van deze wijken pas goed tot hun recht, als het groen is opgekomen

Vergrijzing wederopbouwwijken

Aan het eind van de twintigste eeuw komen de wederopbouwwijken in de problemen. Jongeren en gezinnen verlaten de eenvoudige, goedkope woningen en de buurten worden grijzer. Allochtonen en kansarmen komen in de plaats van de oorspronkelijke bewoners. Het draagvlak voor winkels en voorzieningen verdwijnt. Het openbare groen en de collectieve tuinen krijgen beheerproblemen en worden als onveilig ervaren. De woningen voldoen niet meer aan de eisen van de tijd, voor comfort en oppervlakte. Grote delen van de wederopbouwwijken worden gesloopt. De nieuwbouw moet meer aansluiten bij de woonwensen van gezinnen en beter gesitueerden. Jaarlijks worden landelijk ongeveer 16.000 woningen gesloopt. Hoogvliet vervult met het project WIMBY! (2002) een pioniersrol in de reconstructie van naoorlogse wijken.

Literatuur

  • W. van Tijen, H.A. Maaskant, J. Brinkman, J.H. van den Broek - Woonmogelijkheden in het nieuwe Rotterdam, Rotterdam 1941
  • A. Bos - De stad der toekomst de toekomst der stad, Rotterdam 1946
  • H.T. Siraa - Een miljoen nieuwe woningen. De rol van de rijksoverheid bij wederopbouw, volkshuisvesting, bouwnijverheid en ruimtelijke ordening (1940-1963), Delft/'s-Gravenhage, 1989
  • E. Agricola e.a. - De naoorlogse wijk centraal, Rotterdam, 1997
  • J. Tellinga (red.) - De grote verbouwing. Verandering van naoorlogse woonwijken, Rotterdam, 2004
  • K. Zweerink (red.) - Van Pendrecht tot Ommoord. Geschiedenis en toekomst van de naoorlogse wijken in Rotterdam, Bussum 2005

Van Stadsvernieuwing tot Vinexwijk

Een nieuw aandachtspunt in de jaren zeventig was de aanpak van de Stadsvernieuwing en de infrastructuur. Daarna volgde de transformatie van oude haven- en industriegebieden tot aantrekkelijke woongebieden, zoals het DWL-terrein en de Kop van Zuid. Stadsbewoners die in de buurt van de stad willen wonen kunnen sinds eind vorige eeuw terecht in de Vinexwijken.

Het begrip stadsvernieuwing kwam begin jaren zeventig van de twintigste eeuw in zwang. Het staat voor de zorgvuldige vernieuwing en verbetering van woningen en woonomgeving in verouderde wijken.

Tot dan toe dacht men bij oude wijken vooral in termen als sanering en krotopruiming. In de wederopbouwperiode lag de aandacht vooral op het bestrijden van de woningnood. Er werden nieuwe uitbreidingswijken gebouwd, maar de oude wijken werden verwaarloosd. Daarnaast had het versterken van de bereikbaarheid en de cityfunctie van het centrum prioriteit. De steeds grootschaliger projecten leidden in veel steden tot twijfel en protesten.

Grootschaligheid

In Rotterdam concentreerden de protesten zich op de sloop van de wijken rond het centrum. En op de aanleg van het zogenoemde Rotte-tracé. Dit was een plan voor een tweebaanssnelweg en spoortracé dat globaal de loop van de Rotte zou volgen. Verder bestond er in Rotterdam een algemene onvrede over de ongezelligheid en grootschaligheid van het wederopbouwcentrum. Deze kwam tijdens de manifestatie C70 naar voren. Door de onstuimige groei van de stad eind negentiende eeuw waren er naar verhouding veel kwalitatief slechte woningen ( revolutiebouw). Deze woningen waren vaak in handen van particuliere verhuurders en huisjesmelkers. Door het bombardement was trouwens wel de grote sloppenwijk bij de Goudsesingel verdwenen.

Volgens de Saneringsnota van 1969 moesten maar liefst 4.200 woningen worden gesloopt. Zo bestonden er plannen het Oude Westen geheel te slopen en te vervangen door middelhoge flats in het groen. De onvrede over de grootschalige sloopplannen kwam - ook onder invloed van het protestklimaat sinds 1968 - tot uiting in de oprichting van actiegroepen. Daar dwongen bewoners van oude wijken samen met jonge linkse studenten de stadsvernieuwing af. In 1973 zette het kabinet Den Uyl met minister Gruyters en de staatssecretarissen Schaefer en Van Dam de stadsvernieuwingsproblematiek landelijk op de kaart. Hierna kwam de doorbraak in Rotterdam met het nieuwe meerderheidscollege van de PvdA in 1974.

Voortrekkersrol

Onder Van der Louw en wethouder Van der Ploeg werd de stadsvernieuwing krachtig ter hand genomen. Met enige trots wordt de voortrekkersrol van Rotterdam beschreven in twee publicaties. In 1984 wordt het tienjarig jubileum van de stadsvernieuwing gevierd, Dit gebeurt met een driedelige publicatie. In 1999 verschijnt 'Rotterdam binnenstebuiten ondersteboven' over vijfentwintig jaar stadsvernieuwing. In totaal zijn in vijfentwintig jaar 71.000 nieuwe en vernieuwde woningen opgeleverd.

1974-1984

In de eerste periode, later wel de 'klassieke stadsvernieuwing' genoemd, lag de aandacht vooral bij de organisatie van het proces. Hiervoor ontwikkelde Van der Ploeg het 'Rotterdamse model', waarbij bewoners en ambtenaren decentraal samenwerkten in projectgroepen. Onder het motto 'Bouwen voor de buurt' werd de waarde van de bestaande wijken erkend. De vernieuwing voor de bestaande wijkbewoners werd ingezet. Dat betekende behoud van de bestaande verkaveling en een voorkeur voor renovatie en verder betaalbare huren en sociale woningbouw.

Allereerst moest daarvoor het versnipperde woningbezit worden aangepakt. De particuliere verhuurders konden of wilden de noodzakelijke verbeteringen niet aanbrengen. In korte tijd werd de helft van de 17.000 woningen in de oude wijken aangekocht. Daarnaast werden enkele bedrijfsterreinen (Veemarkt, Slachthuis, Jamin) voor woningbouw bestemd. Het Simonsterrein in Feijenoord (1976- is een prototype voor dergelijke stadsvernieuwing. Op een plek langs de Maas zijn blokjes portiekwoningen gesitueerd. Ze zijn van een eenvoudige architectuur zonder opsmuk en met een betaalbare huur.

Andere vroege voorbeelden van stadsvernieuwing zijn de woningbouw in

  • Rubroek
  • de Rottebocht
  • de Boogjes
  • de Gouvernestraat in het Oude Westen. 

Het Oude Westen is een belangrijk laboratorium voor de stadsvernieuwing, waarbij de Aktiegroep Oude Westen een belangrijke rol speelt. De Aktiegroep krijgt in 1980 zelfs de Rotterdam-Maaskantprijs. In deze periode wordt nabij het centrum op onder andere het Heliport-terrein betaalbare kleinschalige nieuwbouw gerealiseerd. De economische crisis van de jaren tachtig bemoeilijkt de financiering van de stadsvernieuwing.

1984

De viering van tien jaar stadsvernieuwing in 1984 betekent ook een kentering in het denken over stadsvernieuwing. De eenzijdige aandacht voor kleinschaligheid en sociale woningbouw heeft niet tot sprankelende architectuur geleid. Het biedt geen oplossing voor grootschalige projecten als de herbestemming van oude havengebieden. Daarnaast verwoest de renovatie met kunststof kozijnen, gepleisterde gevels en optoppingen de kwaliteit van de negentiende-eeuwse architectuur. In enkele projecten is deze kentering zichtbaar. De Peperklip is een groot woongebouw dat breekt met de traditionele blokopbouw en aansluit op de grootschaligheid van de haven.

De verzorgde, op het Nieuwe Bouwen geïnspireerde architectuur van Mecanoo bij projecten als Kruisplein, Tiendplein en Hillekop heeft de gewenste architectonische kwaliteit. Frits van Dongen en DKV breken in de Afrikaanderwijk de bestaande verkaveling open met modernistische concepten. De Kop van Zuid wordt na een ideeënprijsvraag in 1982 niet volgebouwd met standaard sociale woningbouw. Er komt een mix van woningbouwtypen.

Een andere verandering is de toenemende aandacht voor de sociale problematiek van de stadsvernieuwingswijken. Daar waar sprake is van een concentratie van lage inkomensgroepen en allochtonen. Er is nu sprake van sociale vernieuwing. Hierbij krijgen ook de sociale samenhang en het beheer aandacht. Naast de verbetering van de bouwkundige kwaliteit van de woningen en de woonomgeving. Eind twintigste eeuw komen ook de naoorlogse wijken in zicht bij de stadsvernieuwing, zoals in Hoogvliet, Pendrecht en Kleinpolder.

Nieuwe eeuw

Onder het nieuwe college in 2002 zonder PvdA en met Leefbaar Rotterdam als aanjager verandert de kijk op stadsvernieuwing opnieuw. Onder de noemer stedelijke vernieuwing wordt meer nadruk gelegd op sociale menging. Bijvoorbeeld door de bouw van woningen voor hogere inkomens en aandacht voor veiligheid en beheer. Het idee voor de bijna complete sloop van de wijk Nieuw-Crooswijk lijkt op de saneringsplannen uit de jaren zestig. Ook in de naoorlogse wijken wordt flink gesloopt.

Daartegenover staat de zorgvuldige restauratie van vroeg twintigste-eeuwse woningbouwcomplexen op het Noordereiland, in Bospolder en in Spangen. De vraag naar vertrouwde, traditionele architectuur is zichtbaar in de woningbouw van Bob van Reeth op het Noordereiland. En in projecten van Molenaar & Van Winden.

Literatuur

  • S.U. Barbieri e.a. - Stedebouw in Rotterdam, 1981
  • Diverse auteurs - Stadsvernieuwing Rotterdam 1974-1984, 1984
  • Diverse auteurs - Die Stad komt nooit af, Rotterdam, 1984
  • K. Hogervorst e.a. - Spijkers met koppen! Volkswoningbouw in Rotterdam 1985-1990, Rotterdam, 1990
  • P. Kuenzli, J. Stoof - Een huisbaas wordt bouwheer, Rotterdam, 1993
  • J. van Dieten, H. Moscoviter - Bakstenen kun je tellen, leefbaarheid niet, Rotterdam, 1994

Infrastructuur is het totaal aan verbindingen en vervoersfaciliteiten zoals wegen, waterwegen en spoorbanen. De stad dankt zijn ontstaan aan de samenkomst van twee belangrijke vaarroutes, de Rotte en de Nieuwe Maas.

De economische bloei vanaf midden negentiende eeuw kwam door de aanleg van de Nieuwe Waterweg (1872) en de spoorlijnen naar Amsterdam (1847) en Antwerpen (1877).

Van groot belang voor de ontwikkeling van de stad zijn verder de oeververbindingen over de Nieuwe Maas. De Willemsbruggen (1877) en de Maastunnel (1942) met de tunneltraverse. Het spoorwegstelsel vertoont lange tijd de sporen van de verschillende particuliere maatschappijen van de negentiende eeuw. Het betonnen Hofpleinviaduct (1905) vormde de basis voor de aparte Hofpleinlijn (opgeheven in 2006). In 1881 rijden de eerste stoomtrams in Rotterdam. In de twintigste eeuw begint de auto aan een opmars.

Wederopbouw

In de wederopbouwperiode grijpt Rotterdam de kans om in de verwoeste stad een modern, functioneel wegennetwerk aan te leggen. Rotterdam kan, in tegenstelling tot veel historische steden, daardoor een oplossing vinden voor het toegenomen autogebruik. Er worden in deze periode ook andere belangrijke infrastructurele verbeteringen doorgevoerd. Vanaf 1956 is het vliegveld Zestienhoven in gebruik. Het in 1940 verwoeste vliegveld Waalhaven was in 1920 het eerste Nederlandse vliegveld voor burgerluchtvaart. Tussen 1953 en 1965 had Rotterdam ook een Heliport (helikopterterrein) aan het Pompenburg.

Rotterdam opent als eerste Nederlandse stad in 1968 een metrolijn. Deze is zes kilometer lang. Het eerste traject loopt van het Centraal Station en het Zuidplein en heeft zeven stations. Uitbreidingen volgen. In 1982 met een oostwestlijn (Calandlijn). Verder met - grotendeels bovengrondse - lijnen naar Hoogvliet (1974), Spijkenisse (1985), Capelle aan den IJssel, Zevenkamp (1984) en Nesselande (2005). Sinds 2002 vormt de Beneluxlijn een verbinding via Schiedam en Vlaardingen met Pernis en Hoogvliet. De bovengrondse metrostations en -viaducten zijn het duidelijkst zichtbaar in de stad. De oudere stations zijn ontworpen door gemeentearchitect Veerling. De stations van de Beneluxlijn zijn onderscheidend vormgegeven door verschillende architecten.

De Ruit van Rotterdam

De Ruit van Rotterdam is een ruitvormig stelsel van snelwegen rond de stad. De rivierkruisende Van Brienenoordbrug (1965) in het oosten en de Beneluxtunnel (1967) in het westen vormen de belangrijkste schakels. De Ruit is ruim veertig kilometer lang. De vier hoeken worden gevormd door het Terbregseplein, de Ridderster, het Beneluxplein en het Kethelplein. Meest spectaculaire onderdeel van de ruit blijft het Kleinpolderplein (1971). Dit heeft fly-overs op vier niveaus. In 1987 is een tweede identieke Van Brienenoordbrug ingevaren. In 2002 verdubbelde de Beneluxtunnel.

In 1981 wordt de oude Willemsbrug vervangen door een nieuwe. De Willemsspoorbrug wordt tussen 1987 en 1993 vervangen door een spoortunnel waardoor het karakteristieke Luchtspoor uit het centrum verdween. De Hef (1927) verliest zijn functie, maar blijft bewaard als industrieel monument.

Derde stadsbrug

De derde stadsbrug over de Maas is de Erasmusbrug (1996). Beeldmerk van het nieuwe Rotterdam en symbool van de ongedeelde stad. De komst van de Hoge Snelheids Lijn (HSL) in de eenentwintigste eeuw leidt tot grootscheepse bouwactiviteiten. Die zullen uiteindelijk leiden tot een mobiliteitsknooppunt voor het openbaar vervoer. Het het vernieuwde Centraal Station vormt hiervan het middelpunt.

Mobiliteit

Mobiliteit is een belangrijk thema in de huidige maatschappij. Zes en half miljoen rijdende en geparkeerde auto's en de scheiding van wonen, werken en recreëren. De daarmee gepaard gaande verkeersstromen hebben veel invloed op de stedenbouw. Het thema van de eerste Internationale Architectuur Biënnale in Rotterdam in 2003 was: Mobility, a room with a view.

Naast het wegenstelsel en de openbaar vervoerslijnen is vooral het parkeren het centrale probleem. Vanaf de jaren zestig zijn openbare parkeergarages gebouwd. Kantoor- en woongebouwen hebben tegenwoordig verplicht een eigen parkeervoorziening. Nabij de belangrijke metro- en treinstations vlakbij de snelweg zijn Park+Ride (P+R)-voorzieningen.

Alternatieve vervoermiddelen

Behalve de auto (59 procent) en het openbaar vervoer (18 procent) zijn er ook alternatieve vervoermiddelen. Hoewel de oer-Hollandse fiets het ideale vervoermiddel in de stad lijkt, zijn er weinig specifieke fietsroutes en -voorzieningen in de stad. Sinds 1997 heeft Rotterdam enkele fietstaxi's. De mogelijkheden voor vervoer over water zijn aantrekkelijk: de Fast Ferry naar Dordrecht en het watertaxinet. Skaters houden niet van pittoreske straatjes met klinkers of keitjes. Zij willen glimmend glad asfalt. Rotterdam is dan ook skatestad nummer één. Met de spectaculair vormgegeven Skatebaan op de Westblaak werd Rotterdam in 2000 midden in het centrum een skatersparadijs rijker.

Verkeersvrij

Rotterdam krijgt in 1952 met de Lijnbaan het eerste verkeersvrije winkelgebied van Nederland. Veel straten zijn omgevormd tot voetgangersgebied en met enkele passages. Winkelcentrum Zuidplein, de Blaakoverbouwing en de Koopgoot zijn speciaal voor voetgangers. Andere faciliteiten voor wandelaars zijn het Schipperspad in het Wijnhavengebied en het Erasmuspad. Dit is een 23 kilometer lange route vanaf het Centraal Station naar Rhoon.

Literatuur

  • M. Provoost - Asfalt. Automobiliteit in de Rotterdamse stedenbouw, Rotterdam 1996
  • P. Meurs, M. Verheijen (red.) - In transit. Mobiliteit, stadscultuur en stedelijke ontwikkeling in Rotterdam, Rotterdam 2002
  • F. Houben, L.M. Calabrese (red.) - Mobility. A room with a view, Rotterdam 2002
  • Diverse auteurs - 150 Jaar Stadstimmeren (De Wandelroute, De Fietsroute, De Autoroute), Rotterdam, 2005

Het woord Vinex is afgeleid van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra uit 1994. Dit was een uitbreiding van de ministeriële nota uit 1989, waarin een beperkt aantal uitbreidingslocaties nabij bestaande steden werd aangewezen.

De stadsbewoners hoeven dus niet meer naar Oud-Beijerland, Ridderkerk of Pijnacker te verhuizen. Ze kunnen naar een Vinex-locatiebij de stad, die met openbaar vervoer makkelijk te bereiken is. Hierdoor zou de mobiliteit en de fileproblematiek worden tegengegaan; de suburbanisatie van het platteland zou een halt toegeroepen worden.

De grootste Vinex-locatie is Leidsche Rijn bij Utrecht met 30.000 woningen, ongeveer grootte vergelijkbaar met Leeuwarden! Bij Den Haag liggen verscholen achter aarden wallen en geluidsschermen de Vinexwijken Ypenburg en Wateringseveld.

Vinexwijken in regio Rotterdam

In de regio Rotterdam zijn ook enkele Vinex-locaties aangewezen. Carnisselande, ten zuiden van de A15, ligt op het grondgebied van gemeente Barendrecht. Het is met een tramlijn met Rotterdam verbonden. De inwoners zijn grotendeels uit Rotterdam afkomstig. Nesselande ligt oostelijk van Zevenkamp op een gebied dat oorspronkelijk tot gemeente Nieuwerkerk behoorde. Met een metrolijn is Rotterdam snel te bereiken. Nieuw-Terbregge wordt vaak omschreven als binnenstedelijke Vinexwijk. Ook de wijk Stadstuinen op de Kop van Zuid heeft kenmerken van een Vinexwijk.

In de Vinexwijken wonen voornamelijk jonge tweeverdieners. Er zijn veel grondgebonden koopwoningen en appartementen in het duurdere segment gebouwd. De voorzieningen bestaan uit een centraal winkelcentrum en scholen en medische en sociale voorzieningen. Bedrijven en kantoren zijn er niet, waardoor de bewoners zich 's ochtends en 's avonds massaal in de files storten. De geplande openbaarvervoerlijnen worden vaak met grote vertraging aangelegd. De term Vinex-wijk heeft snel een negatieve lading gekregen. Maar de bewoners zijn tevreden.

Gevarieerd en ruimtelijk interessant

Ook de architectuur moet het vaak ontgelden in publicaties. Ten onrechte, want deze wijken zijn vele malen gevarieerder en ruimtelijk interessanter dan alle eerder gebouwde uitbreidingswijken. Uit een onderzoek van het Centraal Plan Bureau uit 2006 blijkt, dat Vinexwijken ook hun positieve kanten hebben.

In de Vinexwijken is behalve de degelijke modernistische woningbouw in de Nederlandse traditie ook veel retro-architectuur gebouwd. Dat is waarschijnlijk het gevolg van de toegenomen invloed van de 'markt' in de woningbouw. Hierbij wordt meer naar de wens van de consument gekeken. Veel woonconsumenten hebben een voorkeur voor 'jaren-dertig'-huizen. Aan de andere kant is deze stijl ook bij wethouders, projectontwikkelaars en architecten steeds populairder. In de meeste Vinexwijken is ook een gedeelte bestemd voor  kavels, waarbij vaak welstandvrij mag worden gebouwd. Een dergelijke enclave van het zgn. Wilde Wonen is ook in Nesselande te vinden (de Waterwijk) . Nesselande heeft als bijzonderheid de fraaie ligging aan de Zevenhuizerplas.

Literatuur

  • H. van Rossum e.a. - De Stad in Uitersten: verkenningstocht naar Vinex-land, Rotterdam 2001
  • H. Lörzing e.a. - VINEX! Een morfologische verkenning, Den Haag 2006

De radicale vernieuwing van het stadscentrum tijdens de Wederopbouw was bijzonder. In de meeste steden werd de oude stad gereconstrueerd, in plaats van opnieuw opgebouwd.

(Inter)nationale architectuur

Rotterdam heeft met de culturele en onderwijsinstellingen een vooraanstaande positie in de (inter)nationale architectuur. Denk aan NAi, AIR en ArchiCenter, Academie van Bouwkunst en het Berlage Instituut.

Vele bekende architectenbureaus zijn in Rotterdam groot geworden:

  • Van den Broek & Bakema
  • Maaskant
  • Quist
  • Hoogstad
  • Weeber
  • OMA
  • MVRDV
  • Neutelings Riedijk

Rotterdam had met de sectie architectuur van de RKS en het in 1992 opgerichte ArchiCenter ook de eerste lokale architectuuractiviteiten. De stad was voortrekker bij de jaarlijkse Dag van de Architectuur.