Spring naar het artikel

Door de industriële revolutie trekken midden 19e eeuw veel arbeiders van het platteland naar de grote steden. Daar komen ze terecht in slechte woningen, smalle straten en snel gebouwde wijken. Soms letterlijk onder de rook van de fabrieken.

De hygiënische omstandigheden zijn slecht en er heerst tbc. en cholera. Door die slechte woonomstandigheden ontstaat in Engeland de tuinstadgedachte. Ebenezer Howard formuleert in het boek Garden Cities of Tomorrow het idee om in een groene omgeving satellietsteden  te realiseren, die in hun eigen bestaan konden voorzien.  Deze fabrieksdorpen of company-towns ontstaan vooral in Engeland en Amerika.

In Nederland is het eerste tuindorp gesticht door de Delftse Gist- en Spiritusfabriek. De directeur J.C. van Marken woonde zelf centraal in de wijk. Andere bekende fabrieksdorpen zijn vaak pas begin twintigste eeuw gerealiseerd, zoals Heveadorp bij Veenendaal, het Snouck van Loosenpark in Enkhuizen. Ook bij de mijnen in Zuid-Limburg, de textielfabrieken in Twente en de Philipsfabrieken in Eindhoven waren speciale huisvestingsprojecten voor arbeiders.

Eigenbelang

Helemaal filantropisch zijn deze projecten trouwens niet. Door de betere huisvesting zullen de arbeiders minder vaak ziek zijn en een grotere productie kunnen leveren. Bovendien kan men in de fabrieksdorpen een zekere controle uitoefenen op de vrije tijd van de arbeiders. Door de afwezigheid van café's probeert men het alcoholisme terug te dringen. Ook zijn de zo dichtbij gehuisveste arbeiders snel beschikbaar bij onvoorziene omstandigheden. Toch gelden de fabrieksdorpen als lichtend voorbeeld voor de volkshuisvesting. Die werd met de Woningwet van 1901 ook door de overheid opgepakt.

Tuindorpen in Rotterdam

In Rotterdam sticht de Rotterdamse Droogdok Maatschappij een tuindorp op Heijplaat, nabij de werf. Tussen 1914 en 1918 zijn naar ontwerp van de Amsterdamse architect Hendrik Baanders 400 arbeiderswoningen op een L-vormig terrein gerealiseerd. Behalve laagbouwwoningen in het groen bevatte de wijk voorzieningen. Drie identieke kerken, een wijkgebouw, een jonggezellenhuis, winkels, scholen, een bibliotheek en een was- en badinrichting.

Enkele jaren later richt K.P. van der Mandele de NV Eerste Rotterdamsche Tuindorp op. Zijn doel was 'een of meer tuindorpen voor de minder draagkrachtige klassen te bouwen.' In 1916 wordt een terrein in de Varkenoordse Polder aangekocht. Op een basisplan van Berlage wordt het tuindorp Vreewijk ontworpen. De wijk wordt tussen 1917 en 1942 gebouwd.

Het oorspronkelijke Witte Dorp van J.J.P. Oud was verwant, maar had met de witgepleisterde gevels en primaire kleuren een modernistischer uitstraling. Ook in de betonwijken De Kossel en Stuhlemeijer in Rotterdam-Zuid  zijn elementen van de tuinstadgedachte te zien. De noodwoningen Wielewaal is een naoorlogse variant van de tuinstad.

Wederopbouw

Na de Tweede Wereldoorlog keert de tuinstadgedachte terug bij de meeste uitbreidingswijken. De open planning met veel groen wordt bijna unaniem met modernistische, collectieve woningbouw ingevuld. In Amsterdam spreekt men bij de wederopbouwwijken van de Westelijke Tuinsteden. De laagbouwgedeeltes van wijken als Pendrecht, Zuidwijk en Lombardijen, de zgn. zuidelijke tuinsteden, zijn een moderne variant van de tuinstadgedachte.

Hoogvliet is bijna een complete tuinstad. Dit gebied was eind jaren zestig met 40 vierkante meter groen per inwoner de groenste plaats van Nederland. Ook de grootschalige groenvoorzieningen als parken en sportvelden zijn ook bepalend voor het groene karakter van de naoorlogse tuinwijken.

Aan het eind van de twintigste eeuw worden de tuindorpen geherwaardeerd. Heijplaat wordt niet gesloopt, maar net als Vreewijk gerenoveerd. Het tuinstadconcept wordt opnieuw gebruikt bij nieuwbouwwijken, zoals Dierdonk bij Helmond.

  • S. Cusveller (red.) - Tuindorp in beton: bouwexperimenten op Zuid 1921-1929, Rotterdam 1989
  • R. Schreijnders - De droom van Howard. Het verleden en de toekomst van de tuindorpen, Rijswijk, 1991
  • A. Reijndorp, H. van der Ven - Een reuze vooruitgang. Utopie en praktijk in de Zuidelijke Tuinsteden van Rotterdam, Rotterdam 1994
  • J. Tellinga - De Grote Verbouwing. Verandering van naoorlogse woonwijken, Rotterdam 2004