Infrastructuur
Gepubliceerd op: 15-12-2016
Geprint op: 22-11-2018
https://www.rotterdam.nl/wonen-leven/infrastructuur/
Spring naar het artikel

Infrastructuur is het totaal aan verbindingen en vervoersfaciliteiten zoals wegen, waterwegen en spoorbanen. De stad dankt zijn ontstaan aan de samenkomst van twee belangrijke vaarroutes, de Rotte en de Nieuwe Maas.

De economische bloei vanaf midden negentiende eeuw kwam door de aanleg van de Nieuwe Waterweg (1872) en de spoorlijnen naar Amsterdam (1847) en Antwerpen (1877).

Van groot belang voor de ontwikkeling van de stad zijn verder de oeververbindingen over de Nieuwe Maas. De Willemsbruggen (1877) en de Maastunnel (1942) met de tunneltraverse. Het spoorwegstelsel vertoont lange tijd de sporen van de verschillende particuliere maatschappijen van de negentiende eeuw. Het betonnen Hofpleinviaduct (1905) vormde de basis voor de aparte Hofpleinlijn (opgeheven in 2006). In 1881 rijden de eerste stoomtrams in Rotterdam. In de twintigste eeuw begint de auto aan een opmars.

Wederopbouw

In de wederopbouwperiode grijpt Rotterdam de kans om in de verwoeste stad een modern, functioneel wegennetwerk aan te leggen. Rotterdam kan, in tegenstelling tot veel historische steden, daardoor een oplossing vinden voor het toegenomen autogebruik. Er worden in deze periode ook andere belangrijke infrastructurele verbeteringen doorgevoerd. Vanaf 1956 is het vliegveld Zestienhoven in gebruik. Het in 1940 verwoeste vliegveld Waalhaven was in 1920 het eerste Nederlandse vliegveld voor burgerluchtvaart. Tussen 1953 en 1965 had Rotterdam ook een Heliport (helikopterterrein) aan het Pompenburg.

Rotterdam opent als eerste Nederlandse stad in 1968 een metrolijn. Deze is zes kilometer lang. Het eerste traject loopt van het Centraal Station en het Zuidplein en heeft zeven stations. Uitbreidingen volgen. In 1982 met een oostwestlijn (Calandlijn). Verder met - grotendeels bovengrondse - lijnen naar Hoogvliet (1974), Spijkenisse (1985), Capelle aan den IJssel, Zevenkamp (1984) en Nesselande (2005). Sinds 2002 vormt de Beneluxlijn een verbinding via Schiedam en Vlaardingen met Pernis en Hoogvliet. De bovengrondse metrostations en -viaducten zijn het duidelijkst zichtbaar in de stad. De oudere stations zijn ontworpen door gemeentearchitect Veerling. De stations van de Beneluxlijn zijn onderscheidend vormgegeven door verschillende architecten.

De Ruit van Rotterdam

De Ruit van Rotterdam is een ruitvormig stelsel van snelwegen rond de stad. De rivierkruisende Van Brienenoordbrug (1965) in het oosten en de Beneluxtunnel (1967) in het westen vormen de belangrijkste schakels. De Ruit is ruim veertig kilometer lang. De vier hoeken worden gevormd door het Terbregseplein, de Ridderster, het Beneluxplein en het Kethelplein. Meest spectaculaire onderdeel van de ruit blijft het Kleinpolderplein (1971). Dit heeft fly-overs op vier niveaus. In 1987 is een tweede identieke Van Brienenoordbrug ingevaren. In 2002 verdubbelde de Beneluxtunnel.

In 1981 wordt de oude Willemsbrug vervangen door een nieuwe. De Willemsspoorbrug wordt tussen 1987 en 1993 vervangen door een spoortunnel waardoor het karakteristieke Luchtspoor uit het centrum verdween. De Hef (1927) verliest zijn functie, maar blijft bewaard als industrieel monument.

Derde stadsbrug

De derde stadsbrug over de Maas is de Erasmusbrug (1996). Beeldmerk van het nieuwe Rotterdam en symbool van de ongedeelde stad. De komst van de Hoge Snelheids Lijn (HSL) in de eenentwintigste eeuw leidt tot grootscheepse bouwactiviteiten. Die zullen uiteindelijk leiden tot een mobiliteitsknooppunt voor het openbaar vervoer. Het het vernieuwde Centraal Station vormt hiervan het middelpunt.

Mobiliteit

Mobiliteit is een belangrijk thema in de huidige maatschappij. Zes en half miljoen rijdende en geparkeerde auto's en de scheiding van wonen, werken en recreëren. De daarmee gepaard gaande verkeersstromen hebben veel invloed op de stedenbouw. Het thema van de eerste Internationale Architectuur Biënnale in Rotterdam in 2003 was: Mobility, a room with a view.

Naast het wegenstelsel en de openbaar vervoerslijnen is vooral het parkeren het centrale probleem. Vanaf de jaren zestig zijn openbare parkeergarages gebouwd. Kantoor- en woongebouwen hebben tegenwoordig verplicht een eigen parkeervoorziening. Nabij de belangrijke metro- en treinstations vlakbij de snelweg zijn Park+Ride (P+R)-voorzieningen.

Alternatieve vervoermiddelen

Behalve de auto (59 procent) en het openbaar vervoer (18 procent) zijn er ook alternatieve vervoermiddelen. Hoewel de oer-Hollandse fiets het ideale vervoermiddel in de stad lijkt, zijn er weinig specifieke fietsroutes en -voorzieningen in de stad. Sinds 1997 heeft Rotterdam enkele fietstaxi's. De mogelijkheden voor vervoer over water zijn aantrekkelijk: de Fast Ferry naar Dordrecht en het watertaxinet. Skaters houden niet van pittoreske straatjes met klinkers of keitjes. Zij willen glimmend glad asfalt. Rotterdam is dan ook skatestad nummer één. Met de spectaculair vormgegeven Skatebaan op de Westblaak werd Rotterdam in 2000 midden in het centrum een skatersparadijs rijker.

Verkeersvrij

Rotterdam krijgt in 1952 met de Lijnbaan het eerste verkeersvrije winkelgebied van Nederland. Veel straten zijn omgevormd tot voetgangersgebied en met enkele passages. Winkelcentrum Zuidplein, de Blaakoverbouwing en de Koopgoot zijn speciaal voor voetgangers. Andere faciliteiten voor wandelaars zijn het Schipperspad in het Wijnhavengebied en het Erasmuspad. Dit is een 23 kilometer lange route vanaf het Centraal Station naar Rhoon.

  • M. Provoost - Asfalt. Automobiliteit in de Rotterdamse stedenbouw, Rotterdam 1996
  • P. Meurs, M. Verheijen (red.) - In transit. Mobiliteit, stadscultuur en stedelijke ontwikkeling in Rotterdam, Rotterdam 2002
  • F. Houben, L.M. Calabrese (red.) - Mobility. A room with a view, Rotterdam 2002
  • Diverse auteurs - 150 Jaar Stadstimmeren (De Wandelroute, De Fietsroute, De Autoroute), Rotterdam, 2005