Spring naar het artikel

Na de Eerste Wereldoorlog komt in Europa een nieuwe architectuurstroming op. In Nederland spreekt men van het Nieuwe Bouwen (of de Nieuwe Zakelijkheid). In Angelsaksische landen van het Modern Movement of the International Style.

Ook de benaming functionalisme wordt wel gehanteerd. Een populaire benaming is moderne architectuur. Omdat modern ook hedendaags betekent is dit wel eens verwarrend.

Het Nieuwe Bouwen loopt parallel met de twintigste-eeuwse vernieuwingen in de beeldende kunst. Zoals de abstracte kunst van het kubisme en De Stijl. Deze architectuur is mogelijk geworden door de nieuwe bouwtechnische mogelijkheden van de industriële revolutie. Gewapend beton en staal maken skeletconstructies mogelijk en dus het gebruik van glas als gevelmateriaal. Platte daken maken een dakterras mogelijk. Er is een voorkeur voor wit en primaire kleuren en uit den boze zijn ornamenten. Eén architect vergelijkt ornamenten met tatoeages, die je volgens hem alleen nog vindt bij primitieve volkeren en gevangenisboeven. Massaproductie vervangt ambachtelijke technieken. In de stedenbouw zijn in het tbc-tijdperk licht en lucht het credo. De sombere gesloten bouwblokken en onhygiënische rug-aan-rug- en alkoofwoningen worden vervangen door strokenbouw en hoogbouw. Deze woningen met grote ramen en balkons zijn optimaal op de zon georiënteerd.

Geen stijl

Het belangrijkste principe van het Nieuwe Bouwen is dat het geen stijl beoogt te zijn. Het zou een einde maken aan historische stijlen en esthetica. Een gebouw moet een technisch, economisch en functioneel antwoord zijn op een opgave. Een functioneel gebouw is automatisch een mooi gebouw volgens het principe form follows function. Zo is een functioneel vormgegeven klauwhamer ook een mooi ontwerp.

Rotterdam bakermat van Het Nieuwe Bouwen

Nederland speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van het Nieuwe Bouwen. Doordat Nederland neutraal was in de Eerste Wereldoorlog is er weinig oorlogsschade en heeft het culturele leven niet stil gestaan. Daarnaast pionieren Mondriaan en Van Doesburg met abstracte, moderne kunst en richten zij het tijdschrift De Stijl op.

Ook in andere landen zijn pioniers te vinden. In Frankrijk de van origine Zwitserse architect Le Corbusier. In Rusland de constructivisten. In Duitsland Walter Gropius en Ludwig Mies van der Rohe, later actief bij het Bauhaus.

Rotterdam is tussen de wereldoorlogen de bakermat van het Nieuwe Bouwen. Het is een snel groeiende, dynamische stad met havens en industrieën.  Rotterdam heeft weinig historisch belangrijke gebouwen. In steden als Amsterdam en Utrecht, in het Gooi en op het platteland hebben de schoonheidscommissies weinig op met de nieuwe moderne architectuur. Daar bestaat een voorkeur voor traditionele vormen en materialen als baksteen en riet.

Vooruitstrevende architecten

Daarnaast zijn in Rotterdam enkele belangrijke moderne architecten werkzaam. De vooruitstrevende architect J.J.P. Oud, medewerker van De Stijl, werkt als architect voor de Gemeentelijke Woningdienst. Hij ontwerpt de niet onomstreden gevel van Café De Unie en woonwijken als de Kiefhoek.

Wethouder Heijkoop, bijgenaamd Arie Beton, is propagandist van dit moderne bouwmateriaal, waarmee enkele wijken op zuid worden gebouwd. J.H. van den Broek en W. van Tijen pionieren in de woningbouw met open verkavelingen en hoogbouw. Belangrijkste representant van het Nieuwe Bouwen is ongetwijfeld het architectenbureau Brinkman & Van der Vlugt. Zij zijn verantwoordelijk voor de Van Nellefabriek, Huis Sonneveld, Stadion Feijenoord en een telefooncel (de eerste voorloper van model 1100 werd in 1932  in Utrecht geplaatst).

Communistisch

Tegenstanders zien het Nieuwe Bouwen als communistisch en in strijd met de baksteentraditie van ons land. In de stedenbouw ligt inderdaad de nadruk op de collectiviteit en veel architecten sympathiseren met de Sovjet-Unie. Nederlandse architecten als Mart Stam en Han van Loghem werken enige tijd in Siberië. Stam ontmoet daar Lotte Beese, die na de Tweede Wereldoorlog als stedenbouwkundige in Rotterdam actief is.

De moderne materialen en technieken hebben eerst nog last van kinderziektes. Platte daken zijn lastig in ons klimaat. De grote glaswanden zijn te warm in de zomer en te koud in de winter. Eind jaren dertig wint het traditionalisme weer terrein. De strijd tussen Nieuwe Bouwen en traditionalisme is goed te zien in het Museumpark. De moderne witte villa's zijn in dezelfde periode gebouwd  als museum Boijmans. Het museum heeft een statige entree, sombere bakstenen wanden en niet-functionele toren.

Wederopbouw

Na de Tweede Wereldoorlog wint de moderne architectuur snel terrein. De wederopbouw vraagt eenvoudigweg om massaproductie en sobere, zakelijke architectuur. Met architecten als Van den Broek & Bakema, Maaskant en Groosman krijgt de Rotterdamse architectuur nieuwe impulsen. Eind jaren zestig ontaardt de moderne architectuur vaak in kille grootschaligheid. Met de kleinschaligheid en het postmodernisme ontstaan tegenbewegingen. In de jaren tachtig van de twintigste eeuw ondervindt het Nieuwe Bouwen een opmerkelijke revival. De Stijl-kleuren en motiefjes worden populair. In de architectuur grijpen veel architecten terug op het Nieuwe Bouwen: witte, gepleisterde gevels, primaire kleuren en kubistische vormen. Deze ooit puur functioneel bedoelde vormprincipes worden nu vooral esthetisch toegepast. Opnieuw door vooral Rotterdamse neo-modernistische architecten als Mecanoo en DKV.

  • J. Nycolaas e.a. - Bouwen '20-'40. De Nederlandse bijdrage aan het Nieuwe Bouwen, Eindhoven 1971
  • Diverse auteurs - Het Nieuwe Bouwen   Rotterdam 1920 1960, Delft, 1982
  • M. Kuipers   Bouwen in beton, experimenten in de volkshuisvesting voor 1940, 's Gravenhage, 1987
  • B. Rebel - Het Nieuwe Bouwen, het Functionalisme in Nederland 1918-1945, Assen 1983
  • S. Cusveller (red.) - Tuindorp in beton: bouwexperimenten op Zuid 1921-1929, Rotterdam 1989
  • T. Eliëns - Het Nieuwe Bouwen in Nederland, 1924-1936, Rotterdam 1990
  • E. Mattie, J. Derwig - Functionalisme in Nederland, Amsterdam, 1995
  • J. Molema - The New Movement in the Netherlands 1924-1936, Rotterdam 1996