Archeologie
Gepubliceerd op: 15-12-2016
Geprint op: 23-11-2020
https://www.rotterdam.nl/bestuur-organisatie/archeologie/
Ga naar de hoofdinhoud

De archeologen van gemeente Rotterdam beheren en onderzoeken de resten van het verleden: het bodemarchief. De resultaten van het archeologische onderzoek worden gepresenteerd aan de inwoners van Rotterdam en andere belangstellenden.

Terug in de tijd...

60 jaar Archeologie Rotterdam

Archeologie Rotterdam is opgericht in 1960 onder de naam Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam, kortweg BOOR. Het bureau was onderdeel van de dienst Gemeentewerken van de gemeente Rotterdam. Toen deze dienst, en daarmee ook BOOR, gedeeltelijk opging in het cluster Stadsbeheer in 2013/2014 kreeg het bureau de naam Archeologie Rotterdam.

Verhaal van de stad

De archeologen van de gemeente Rotterdam dragen zorg voor het bodemarchief van de stad.  Zij doen al zestig jaar archeologisch onderzoek (opgravingen), maar ook vooronderzoek in de vorm van bureaustudies, grondboringen en proefsleuven. Ook vertellen ze het archeologisch verhaal van de stad aan bewoners, scholieren en bezoekers van Rotterdam. Daarnaast treedt Archeologie Rotterdam op als adviseur voor een aantal gemeenten in de regio rondom de stad.

Tussen Dam en Schip

Een 750 jaar oud scheepje dat aan de basis ligt van Rotterdam. In deze documentaire wordt het verhaal van de punter verteld.

Sluizen en Dam in de Rotte

In 2020 bestaat Rotterdam 750 jaar. In deze documentaire wordt uitgelegd hoe de stad ontstaan is; de aanleg van de dam in de Rotte en hoe we dat nu weten.

NIEUW BOEK! Ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘750 jaar Rotte | dam’ is er nu het boekje 'Tussen dam en schip, het oudste scheepje van Rotterdam'.

Onderzoek in bouwput Willemsspoortunnel

De kaft van het boekje 'Tussen dam en schip', met een foto van de resten van een oud scheepje plus tekening van het scheepje. En een Illustratie waarin een historisch beeld van een familie op zo'n scheepje voor de huidige skyline Rotterdam.

In 1991 deden de archeologen van Archeologie Rotterdam (BOOR) spectaculair onderzoek in de bouwput van de Willemsspoortunnel ter hoogte van de kruising Binnenrotte-Hoogstraat. Tijdens de opgraving konden niet alleen de eerste huizen van Rotterdam worden onderzocht, maar ook de dam in de Rotte waaraan de stad is ontstaan en haar naam dankt. Onder de dam, die voorzien was van uitwateringssluizen, werd op grote diepte een compleet bootje gevonden.

Dit punterachtig vaartuig wordt in dit boek uitgebreid besproken. Het is in 2020 gerestaureerd en is een icoon voor de stad Rotterdam. Het lag letterlijk aan de basis van Rotterdam en speelde een belangrijke rol bij de datering van de dam. Dankzij de punter weten we dat de damaanleg rond 1270 plaatsvond, zo’n 750 jaar geleden.

Boekje

Dit boekje is geschreven door Linda Dielemans en is deel vier in de serie ‘Ontdek! Archeologie in Rotterdam'. Tussen dam en schip is verkrijgbaar bij Museum Rotterdam en diverse Rotterdamse boekhandels.

Precies 750 jaar geleden werd de dam in de Rotte gelegd en ontstond...Rotterdam! Om deze mijlpaal te vieren organiseren Museum Rotterdam en Archeologie Rotterdam de tentoonstelling '750 jaar Rotte | dam'.

Het topstuk van de tentoonstelling is een 'punter', een bootje dat gebruikt werd bij het sluiten van de dam in de Rotte. Dit unieke stuk is bij archeologisch onderzoek in 1991 gevonden.

De dam in de Rotte

Vóór het ontstaan van Rotterdam was er Rotta; een kleine plaats die in de 12de eeuw vanwege wateroverlast werd verlaten. Maar de bewoners lieten zich niet zomaar wegjagen. In 1270 werd een dam in de Rotte aangelegd. Met de aanleg van deze dam ontstond Rotterdam, een stad die zou uitgroeien tot wereldhaven. Video (2020) over de documentaire over de 'punter'.

Een tentoonstelling met topstukken

U kunt voor het eerst de oudste compleet bewaarde boot van Rotterdam zien. Het is een 'punter' die gebruikt werd bij de afdamming van de Rotte. De punter staat symbool voor het ontstaan van Rotterdam. Door de staat waarin hij verkeert én zijn grootte is het een bijzonder stuk die u niet mag missen.

Leer, kijk en verwonder

Aan de hand van diverse archeologische objecten, teksten en beeldmateriaal - waaronder bijzondere foto’s, tekeningen en twee nieuwe documentaires - worden er diverse verhalen verteld. U leert alles over schepen, sluizen en hoe wij omgaan met water. En u zal zich verwonderen over de ontstaansgeschiedenis van Rotterdam.

Tussen dam en schip

Ter gelegenheid van deze tentoonstelling verschijnt het boekje 'Tussen dam en schip, het oudste scheepje van Rotterdam'. Dit boekje is geschreven door Linda Dielemans en is deel vier in de serie ‘Ontdek! Archeologie in Rotterdam'. Tussen dam en schip is verkrijgbaar bij Museum Rotterdam en diverse Rotterdamse boekhandels.

Meer informatie

Wanneer: van 5 september 2020 tot en met 21 maart 2021
Waar: Museum Rotterdam, Rodezand 26
Kosten: volwassenen: € 9, kinderen tot en met 17 jaar: gratis. Ook zijn er diverse kortingen met uw CJP-pas, Rotterdampas of Museumkaart.
Voor meer informatie kunt u terecht op Museumrotterdam.nl.

In het centrum van Rotterdam liggen diep onder de grond de resten van nederzetting Rotta uit de 10e en 11e eeuw. Het dorpje was gelegen op de oevers van het riviertje de Rotte. Archeologie Rotterdam gaf opdracht aan Carolien Bijvoet van Alarmvogel om, aan de hand van hun opgravingsgegevens uit 2009, een animatiefilm te maken over het leven in Rotta in het begin van de 11e eeuw. Zeer bijzonder is dat de gesproken tekst in het Oudnederlands is. De vijf minuten durende film is te zien via YouTube op Archeologie Rotterdam.

Oud Nederlands

Het Oudnederlands is bekend van het ‘Hebban olla vogala’ gedichtje uit het einde van de 11e eeuw. Er zijn echter nog oudere teksten in het Oudnederlands, zoals de Wachtendonckse Psalmen uit de 10e eeuw. De historisch taalkundige Peter-Alexander Kerkhof heeft gebruik gemaakt van die oude bronnen om een tekst in het Nederlands van duizend jaar geleden te schrijven en uit te spreken voor de film. De film is ondertiteld in het hedendaagse Nederlands. Het gesproken Oudnederlands is dus voor iedereen goed te volgen. En voor wie de film extra wil beleven is er ook nog een ondertiteling in het Oudnederlands. Volgens Kerkhof illustreert deze film hoe onze kennis over het gesproken Nederlands van duizend jaar geleden een belangrijk stuk cultureel erfgoed is.

Animatie Rotta

De opgravingen in de binnenstad van Rotterdam leverden veel gegevens over Rotta op. In de bouwput van de Markthal is ongeveer 10 jaar geleden een terp met de resten van zes elkaar opvolgende boerderijen uit de periode 950-1050 gedocumenteerd. De gegevens van de jongste boerderij zijn gebruikt om de animatie te maken. De film toont het landschap van de Rotte rond 1020 na Chr. met op de oevers de erven en boerderijen. De jongste boerderij van de Markthal is in detail te zien. Het verhaal van Rotta wordt in het Oudnederlands verteld door een bewoner van de boerderij. Zijn opa was een van de eerste ontginners van het uitgestrekte moerasgebied van de Rotte.

Rotta

Het oudste deel van de middeleeuwse stad Rotterdam ligt onder de Hoogstraat, de plaats waar rond 1270 een dam in de Rotte werd aangelegd. Op de dam werden de eerste huizen van Rotterdam gebouwd. Al snel groeide de bescheiden nederzetting uit tot een van de grootste plaatsen van het graafschap Holland. De stad bestaat dit jaar dus zo’n 750 jaar.

De archeologische onderzoeken van de afgelopen 30 jaar in de Rotterdamse binnenstad laten echter zien dat de bewoning langs de benedenloop van de Rotte veel verder teruggaat dan de 13e eeuw. De vondsten en sporen zijn toe te schrijven aan het dorpje Rotta dat we voor het eerst tegenkomen in een oorkonde uit 1028. De inwoners van Rotta hielden zich in de 10e en 11e eeuw bezig met akkerbouw, veeteelt en handel. Het einde van Rotta kwam in de 12e eeuw, toen het Maasmondgebied ernstig te lijden had van hevige overstromingen.

Meer informatie

Voor meer informatie over het Oudnederlands kunt u terecht op treasuresofdutch.com. Voor meer informatie over Rotta kunt u ook terecht bij de Tijdtrap in de Markthal. In de vitrine in de parkeergarage op -4 zijn de vondsten van Rotta zelf te bekijken.

Tachtig jaar na het bombardement op Rotterdam wordt het driehoekige terreintje tus­sen de Blaak en de Wijnhaven opnieuw bebouwd. De 70 meter hoge toren die hier wordt gebouwd zal met zijn moderne architectuur een bijdrage leveren aan de skyline van de stad. Voor veel van de huidige inwoners van de stad en toeristen is het waarschijnlijk moeilijk voor te stellen dat onder onze voeten resten van het middeleeuwse en vroegmoderne Rotterdam bewaard zijn gebleven, ondanks de grootschalige sloop van het grootste deel van de verwoeste binnenstad. Diepe bouwputten, zoals die voor het toekomstige OurDomain, geven, met een schat aan informatie, de mogelijkheid die geschiedenis te onderzoeken. De publicatie over deze opgraving is nu gereed. Bijzonder is dat tijdens dit onderzoek een verdedigingswal uit eind 16e eeuw is gevonden. Rotterdam breidde zich in die periode uit richting Nieuwe Maas.

Het rapport is te bekijken via onze Facebookpagina 'Archeologie Rotterdam' in de groep 'Artikelen' en later ook via het registratiesysteem Archis en het e-depot DANS

Wil je een spreekbeurt houden over archeologie? Dan kun je een spreekbeurtkist lenen bij de archeologen van Rotterdam. In deze kist zitten echte archeologische vondsten (aardewerk, vuursteen, bot) die je kunt gebruiken bij je verhaal en laten zien aan je klasgenootjes. Verder is er een troffel, een hesje en een helm die je kunt gebruiken om eruit te zien als een echte archeoloog.

Lenen is gratis, wel ruim van tevoren even contact opnemen om de kist te reserveren en op te halen. Dit kan via een mailtje naar boor@rotterdam.nl.

Wandelen door middeleeuws Rotterdam

Tijdens deze wandeling met een gratis app komt u langs plaatsen waar middeleeuws Rotterdam nog te beleven is. Met leuke vragen is het een leerzame speurtocht voor jong en oud. Download de gratis izi.TRAVEL-app voor Apple of Android, of zoek op 'middeleeuws rotterdam' (Windows).

Of ga mee met de digitale stadswandeling van archeologe Maaike Sier langs een aantal plekken in Rotterdam waar meer achter schuilt dan je zou denken.

Archeologisch belangrijke plaatsen

42 bijzondere archeologische vindplaatsen (monumenten) zijn beschermd door de Archeologieverordening Rotterdam 2009. Dit betekent dat de bodem op deze plaatsen niet of zo min mogelijk verstoord mag worden. De archeologische waarden zijn daar van grote betekenis voor de geschiedenis van de stad.

Het Archeologiebeleid van de gemeente Rotterdam is vastgelegd door middel van dubbelbestemmingen in de bestemmingplannen. Voor gebieden waar er nu geen vastgesteld bestemmingsplan is, geldt het archeologiebeleid zoals opgesteld in de Archeologische Waarden- en Beleidskaart.

Deze kaart en de bijbehorende Archeologische Kenmerkenkaart zijn te raadplegen via GISweb. Bestemmingsplannen zijn te raadplegen via ruimtelijkeplannen.nl.

Al in de jaren zestig deden Rotterdamse archeologen veldonderzoek in de regio. Tegenwoordig treedt het beleidsteam van de afdeling Archeologie nog steeds op als adviseur van een aantal buurgemeenten. Het gaat om Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Nissewaard, Ridderkerk, Schiedam en Westvoorne. Met de meeste van deze gemeenten heeft Rotterdam een ‘gemeenschappelijke regeling’ voor archeologie afgesloten. Op basis daarvan worden bouwplannen en onderzoeksrapporten getoetst, en Programma’s van Eisen voor archeologisch onderzoek geschreven. Het veldonderzoek in de regiogemeenten wordt meestal door archeologische bedrijven uitgevoerd. Wanneer andere partijen archeologisch onderzoek doen in Rotterdam of in één van de acht gemeenten, gelden daarvoor richtlijnen. Bekijk deze richtlijnen in het tabblad 'Richtlijnen'.

Het grondgebied van wat nu gemeente Rotterdam is, is al eeuwenlang door mensen bewoond. Dit zijn bijvoorbeeld de jagers en verzamelaars uit de Steentijd. Of de mensen die in de Middeleeuwen op en rond de dam in de Rotte woonden.

Om te voorkomen dat deze sporen uit het verleden zomaar bij bouwwerkzaamheden verdwijnen, is een aantal regels opgesteld. Als er ergens in gemeente Rotterdam gebouwd of ontwikkeld wordt en de bodem wordt daarbij verstoord, moet er met archeologische waarden rekening gehouden worden. Bijvoorbeeld bij de aanleg van een parkeergarage, kelders of een waterpartij, maar ook bij heien. Het BOOR zorgt voor een goede afweging van die archeologische belangen. Maar ook voor een ongehinderde voortgang van het ruimtelijke ordeningsproces. Dat betekent tijdig de archeologie in beeld brengen en maatwerk per project.

Vergunningen

Voor de meeste bodemingrepen is een vergunning nodig. Sinds oktober 2010 is een groot aantal verschillende vergunningen samengevoegd in de omgevingsvergunning. Via het Omgevingsloket online (OLO) kan iedereen in een aantal stappen een vergunning aanvragen. Als u meer wil weten over de rol van archeologie bij uw vergunningaanvraag kunt u contact opnemen met het BOOR.

Uit bestemmingsplannen of de Archeologische Waardenkaart Rotterdam blijkt of er archeologische waarden bekend zijn of verwacht worden op een bepaalde plaats. Vervolgens is de vraag of de geplande bodemingreep (diepte, oppervlakte, aard van de ingreep) die waarden kan aantasten. De gemeente Rotterdam (het BOOR) is bevoegd gezag en besluit of archeologisch onderzoek nodig is. Voor al het veldonderzoek geldt: de kosten zijn voor rekening van degene die de bodem (en dus de archeologische waarden) verstoort.

Stappenplan

  • Het proces van archeologische monumentenzorg vindt in een aantal stappen plaats. Na iedere stap wordt besloten of een vervolg nodig is, of dat de bouw- en andere plannen van start kunnen gaan zonder verder archeologisch onderzoek. Vaak is dat al na een van de stappen het geval.
  • De eerste stap is een bureauonderzoek. Dit betekent dat er met bestaande gegevens (bodemkaarten, historische plattegronden en andere bronnen, resultaten van eerder archeologisch onderzoek) een verwachting wordt opgesteld. Wat zit hier in de bodem en is een vooronderzoek in het veld nodig of niet. Het BOOR voert dit bureauonderzoek kosteloos uit. Dit doet ze in de vorm van een quick scan (een archeologische toets op het bouwplan). Zo krijgen initiatiefnemers snel duidelijkheid over eventueel benodigde vervolgstappen.
  • Is een vervolgonderzoek in het veld nodig, dan stelt het BOOR (team Beheer & Beleid) een Programma van Eisen (PvE) op. Hierin staat omschreven hoe het onderzoek uitgevoerd moet worden en wat de onderzoeksvragen zijn. Met het PvE kunnen offertes worden aangevraagd. De archeologen van het team Onderzoek & Rapportage kunnen het veldonderzoek desgewenst uitvoeren.
  • De volgende stap is een archeologisch vooronderzoek in het veld. Meestal bestaat de eerste fase uit een verkennend onderzoek door grondboringen. Met een boor (een guts of een mechanische boor) wordt de bodemopbouw bestudeerd. Zijn de verwachte bodemlagen intact aanwezig, dan kan een karterend booronderzoek volgen. Daarbij wordt meer in detail gezocht naar aanwijzingen voor archeologische resten.
  • Bij de aanwezigheid van archeologie kan dit onderzoek weer leiden tot het graven van proefsleuven. Dit is zogenaamd waarderend onderzoek. Op deze manier wordt beoordeeld wat de waarde (aard, ouderdom, conservering) is van de aanwezige archeologische vindplaatsen. Zijn de ontdekte archeologische waarden van zo'n groot belang dat ze behouden moeten worden, dan wordt gekeken of dat mogelijk is. Bijvoorbeeld door het bouwplan aan te passen (minder diep graven, andere plek, ander type fundering). Is dat geen optie, dan moet de vindplaats, of een deel ervan, worden gedocumenteerd door deze op te graven.

Van elke fase van onderzoek verschijnt een rapport. De wet schrijft voor dat dit rapport beschikbaar moet zijn binnen twee jaar nadat het veldwerk is afgerond. Bij kleine (boor)onderzoeken is het rapport veel sneller beschikbaar, zodat  het ruimtelijke ordeningsproces snel doorgang kan vinden. Alle documentatie van de archeologische onderzoeken (tekeningen, foto’s) en de vondsten worden naar het depot overgebracht. Hier worden de vondsten onder speciale condities bewaard.

Heeft u een bouwproject in het havengebied? Of moet u een omgevingsvergunning aanvragen?

Deze informatie is bedoeld voor initiatiefnemers van projecten in het Rotterdamse havengebied. Projecten waarbij de bodem wordt verstoord en dus mogelijk archeologie aan de orde is. Het tijdig inschakelen van het gemeentelijke BOOR levert snelheid op en voorkomt onnodige kosten.

Stappen archeologie

Het proces van archeologische monumentenzorg vindt in een aantal stappen plaats. Na iedere stap wordt besloten of een vervolg nodig is. En of het (bouw)project van start kan gaan. Het best kunt u uw plannen door het BOOR laten toetsen vóór u opdracht geeft voor het uitvoeren van archeologisch veldonderzoek. En liefst ook al vóór het aanvragen van een vergunning. In veel gevallen staat archeologie de vergunningverlening niet in de weg en hoeven dus geen extra kosten gemaakt te worden. Na iedere stap in het proces van archeologisch onderzoek wordt besloten of een vervolg nodig. En dus of het (bouw)project van start kan gaan.

Plantoets (bureauonderzoek)

De eerste stap is het kosteloos laten toetsen (via een bureauonderzoek of quick scan) van het bouwplan door BOOR. Bij het toetsen wordt rekening gehouden met:

  • recente bodemverstoringen
  • ophogingen
  • aanwezige bebouwing op perceelsniveau

Verder wordt gekeken naar de kenmerken van de geplande bodemingreep in relatie tot de archeologische verwachting op die plek. Via bodemkaarten, historische kaarten en al uitgevoerd archeologisch onderzoek. Dit is maatwerk, kosteloos uitgevoerd door archeologisch deskundigen van het BOOR.

De uitkomst van de plantoets wordt in een brief toegelicht. Alleen in enkele gevallen blijkt veldonderzoek nodig, in de meeste gevallen volstaat de brief van BOOR. Deze brief moet u bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voegen. In de behandeling van de omgevingsvergunning door de gemeente Rotterdam levert deze stap geen vertraging en geen extra kosten op.

Vooronderzoek in het veld

In een beperkt aantal gevallen is vooronderzoek in het veld nodig. Dit bestaat meestal uit een verkennend onderzoek door grondboringen en/of sonderingen. Met deze boringen (met een guts of een mechanische boor) wordt de bodemopbouw bestudeerd. Zijn de verwachte bodemlagen intact aanwezig en de lagen kansrijk voor bewoning in het verleden? Dan kan een karterend booronderzoek volgen.

Met een karterend booronderzoek wordt in detail gezocht naar archeologische resten. Bij de aanwezigheid van archeologie kan dit onderzoek leiden tot waarderend onderzoek in de vorm van het graven van proefsleuven of het uitvoeren van nader onderzoek in boorkernen. Ook vanaf het water kan met verschillende technieken nader onderzoek worden verricht. Op deze manier wordt beoordeeld wat de waarde (aard, ouderdom, conservering) is van de aanwezige archeologische vindplaatsen.

Behoud of opgraven

Zijn de ontdekte archeologische waarden van zo'n belang dat ze behouden moeten worden? Dan wordt gekeken of dat mogelijk is. Bijvoorbeeld door het bouwplan aan te passen (minder diep graven, andere plaats, ander type fundering). Is dat geen optie, dan moet (een deel van) de vindplaats worden gedocumenteerd door deze op te graven. Is de verstoring uitsluitend door het aanbrengen van heipalen? Dan wordt gekeken of er voldoende intact blijft om onderzoek in de toekomst mogelijk te maken.

Alle documentatie van de archeologische onderzoeken (tekeningen, foto’s) en de vondsten worden naar het gemeentelijke depot overgebracht. Hier worden de vondsten onder speciale condities bewaard en gebruikt voor nader onderzoek of publieksdoeleinden (tentoonstellingen, publicaties enzovoort).

Tijd en kosten

De plantoets wordt door het BOOR kosteloos uitgevoerd, doorgaans binnen een week. Bij kleine (boor)onderzoeken is de uitkomst snel beschikbaar, zodat het vergunningproces doorgang kan vinden. Van elke fase van onderzoek verschijnt een rapport.

Rapportages die niet door BOOR zijn opgesteld moeten door de gemeente Rotterdam worden goedgekeurd. Een door de gemeente opgesteld (of goedgekeurd) Programma van Eisen (PvE) is verplicht. Het BOOR stelt deze PvE’s kosteloos op. Het PvE omschrijft hoe het onderzoek uitgevoerd moet worden en wat de onderzoeksvragen zijn. Hiermee kan de initiatiefnemer offertes aanvragen. Desgewenst kunnen archeologen van het BOOR het veldonderzoek uitvoeren.

De kosten van het veldonderzoek zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten zijn sterk afhankelijk van het soort onderzoek en de grootte van het gebied.

Wat zit er in de bodem?

Het Rotterdamse havengebied omvat vele vierkante kilometers en is heel divers. Van de Maasvlakte tot de Nieuwe Maas en van overslagterreinen tot gasopslag. Er is veel gebaggerd, opgehoogd en geheid. Het is een rijk gebied, met voor een deel uniek te noemen resten van het verleden.

  • Op de bodem van de Noordzee en in de diepe ondergrond van zowel havens als land is het landschap uit de steentijd deels intact. Het gaat dan om de periode vanaf 9000 voor Christus. Het bevindt zich op een diepte van soms wel 20 meter. Het is afgedekt door jongere lagen en daardoor goed bewaard gebleven. Recent zijn bij onderzoek in de Yangtzehaven resten van een kamp van jagers-verzamelaars uit deze periode teruggevonden. Onder meer werktuigen en voedselresten.
  • Ook liggen op en in de zeebodem de resten van schepen die daar door de eeuwen heen gezonken zijn.
    Dat kunnen bijvoorbeeld schepen zijn geweest uit de Romeinse tijd, uit de Middeleeuwen en later, tot de 18e en 19e eeuw. Op de Maasvlakte liggen deze scheepsresten op dieptes tussen de 3 en 12 meter beneden NAP.
  • In onder meer het Botlekgebied zitten in de bodem resten verborgen van bewoning. Uit Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen. In deze laatste periode werd op en langs dijken gewoond. De Vondelingenplaat maakte deel uit van het eiland IJsselmonde, dat in de 13e en 14e eeuw werd bedijkt. 

Het bestemmingsplan als toetsingskader

Bij de totstandkoming van een bestemmingsplan voert de gemeente een inventarisatie van actuele archeologische waarden en verwachtingen uit. Ze stelt, daarop gebaseerd, regels vast. Dit leidt meestal tot één of meer dubbelbestemmingen met ‘Waarde - Archeologie’, gekoppeld aan verschillende dieptes en oppervlaktes van bodemingrepen. Eind 2013 zijn voor het Rotterdamse havengebied drie nieuwe bestemmingsplannen vastgesteld: ‘Maasvlakte 1’, ‘Europoort en Landtong’ en ‘Botlek-Vondelingenplaat’. In deze gebieden geldt sindsdien de verplichting tot het laten opstellen van een archeologische rapportage. Dit is afhankelijk van de specifieke bodemingreep (diepte, oppervlakte) en plaats. Voor Maasvlakte 2 geldt een soortgelijke verplichting. Worden die grenzen overschreden dan moet een archeologisch rapport worden opgesteld, om zo een omgevingsvergunning te krijgen.

Cultureel erfgoed

Archeologisch onderzoek kan ook door andere regelgeving verplicht zijn, zoals bij ontgrondingen, een m.e.r. of bij rijksprojecten. Meer daarover vindt u onder meer op de website van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. En op de website van de provincie Zuid-Holland.

Meer informatie

BOOR
Ceintuurbaan 213b
3051 KC Rotterdam
Telefoon 010 - 489 85 00

Afdeling Vergunningen
Postbus 6575
3002 AN Rotterdam
Telefoon: 14 010

Het Europese ‘Verdrag van Malta’ vormt de basis voor het huidige archeologiebeleid in Nederland. Dit verdrag is in 1992 door een groot aantal landen ondertekend. De wet tot goedkeuring is in 2006 door de Tweede Kamer aangenomen.

In het verdrag is onder andere afgesproken dat voor elke bodemingreep gekeken moet worden of er archeologische resten in de bodem zitten. Blijkt na onderzoek dat deze resten belangrijk zijn? Dan kunnen ze, door bijvoorbeeld de bouwplannen aan te passen, het best in de bodem blijven zitten. Dit noemen we 'in situ' bewaren. Als dit niet mogelijk is, wordt een opgraving uitgevoerd op kosten van de verstoorder.

In 2007 is de ‘Wet op de archeologische monumentenzorg’ (Wamz) van kracht geworden. Daarmee zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving ingevuld. Elke gemeente is verplicht zelf zorg te dragen voor de archeologische waarden binnen de gemeentegrenzen. Dit heeft de gemeente Rotterdam gedaan via een aantal beleidsinstrumenten.

Archeologie en de wet in Rotterdam

In Rotterdam is in 2008 de Beleidsnota Archeologie Rotterdam vastgesteld. In deze nota wordt aangegeven hoe de gemeente met archeologie omgaat. De volgende instrumenten spelen daarbij een rol:

  • De Archeologische Waarden- en Beleidskaart van Rotterdam (AWK 2005). Hierop staat voor het hele gemeentelijke grondgebied wat de kans is op het aantreffen van archeologie en wat het beleid is.
  • De Archeologieverordening Rotterdam (AVR 2009). Via de verordening worden de 42 gemeentelijke archeologische monumenten, de ‘Archeologisch Belangrijke Plaatsen’ beschermd. Ook regelt de verordening een meldingsplicht bij bodemverstoringen (zie onder).
  • In elk bestemmingsplan wordt een aparte paragraaf opgenomen. Deze gaat over de archeologische waarden en verwachtingen in dat gebied en daaraan gekoppelde regels (vergunningen).
  • Wanneer de archeologieparagraaf in het bestemmingsplan ontbreekt, dan geldt volgens de Archeologieverordening een meldingsplicht. Dit is het geval bij oudere bestemmingsplannen. Wie de bodem gaat verstoren moet kijken op de AWK (2005) welke regels gelden. Diegene moet ook de plannen voor bouw of aanleg melden.

Richtlijnen voor het uitvoeren van Archeologisch bureauonderzoek en niet-gravend inventariserend veldonderzoek in de gemeenten:

  • Albrandswaard
  • Barendrecht
  • Capelle aan den IJssel
  • Hellevoetsluis
  • Nissewaard
  • Ridderkerk
  • Rotterdam
  • Schiedam
  • Westvoorne

De afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam (BOOR) treedt in Rotterdam op als bevoegd gezag op het gebied van archeologisch onderzoek dat binnen de gemeentegrenzen plaatsvindt. De afdeling Archeologie stelt in dat kader onder andere Programma’s van Eisen (PvE’s) op voor archeologisch onderzoek en beoordeelt rapportages van archeologisch onderzoek dat door archeologische bedrijven wordt uitgevoerd.De gemeente Rotterdam (voor deze Archeologie Rotterdam) treedt op structurele basis ook op als archeologisch adviseur voor een aantal buurgemeenten, die zelf op het terrein van de archeologie bevoegd gezag zijn. Momenteel zijn dat: Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Nissewaard, Schiedam, Ridderkerk en Westvoorne. Deze gemeenten beschikken over een vastgesteld archeologiebeleid en zijn in het bezit van een gemeentelijke archeologische waarden-en beleidskaart. In opdracht van genoemde gemeenten stelt BOOR voor hen ook PvE’s op en beoordeelt het door derden uitgevoerd archeologisch onderzoek en de rapportage daarvan. De hier gepresenteerde ‘Richtlijnen voor het uitvoeren van archeologisch bureauonderzoek en niet-gravend inventariserend veldonderzoek’ verschaffen helderheid over de kwaliteitseisen die door Archeologie Rotterdam gesteld worden aan de uitvoering en rapportage van dergelijk onderzoek. Ook beogen de ‘Richtlijnen’ de kwaliteit van archeologisch onderzoek en rapportage te verbeteren en te borgen. De ‘Richtlijnen’ hebben betrekking op bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (alleen niet-gravend, dus: boren). Daarnaast zijn er gebiedsspecifieke eisen. De gebiedsspecifieke onderzoekseisen hebben betrekking op locatie, aard, diepte en het aantal grondboringen.Archeologie Rotterdam (BOOR) heeft in de afgelopen krap zestig jaar veel archeologische kennis en ervaring opgedaan in Rotterdam en het Maasmondgebied en beschikt over een omvangrijk gegevensbestand. Voorafgaande aan de uitvoering van ieder onderzoek dient altijd het bevoegd gezag geraadpleegd te worden (de contactpersonen worden hieronder vermeld). Dit is noodzakelijk, niet alleen om kennis te nemen van beschikbare informatie, maar ook om te voorkomen dat er onnodig of niet-efficiënt archeologisch onderzoek plaatsvindt in de bovengenoemde gemeenten. De werkwijze draagt bovendien bij aan een goed verloop van de vergunningsprocedure en het goedkeuringstraject van onderzoeksrapporten.Voorafgaand aan de uitvoering van inventariserend veldonderzoek dient de uitvoerder een Plan van Aanpak (PvA) ter goedkeuring voor te leggen aan het bevoegd gezag. Dit PvA dient gebaseerd te zijn op een PvE-boren, dat op te vragen is bij het bevoegd gezag. Dit PvE is gebaseerd op voorliggende ‘Richtlijnen’ (1) en op de gebiedsspecifieke onderzoekseisen (2)

Bureauonderzoek

1. Algemeen

  • Voor de start van het bureauonderzoek dient het bevoegd gezag te worden geraadpleegd ten behoeve van een gebiedsspecifieke vraagstelling, eisen en de reeds beschikbare informatie
  • Het bureauonderzoek dient te worden uitgevoerd volgens het KNA 4.1-protocol 4002 ‘Bureauonderzoek’ en te voldoen aan alle daarin vermelde specificaties (zie sikb.nl)
  • Het bureauonderzoek dient voorafgaand aan het (eventuele) veldwerk te worden uitgevoerd

2 .Administratieve gegevens

  • De oppervlakte van het plangebied dient specifiek te worden vermeld.
  • De begrenzing van het plangebied dient te worden weergegeven op een recente topografische kaart, op een relevante schaal
  • De RO-procedure (voor zover van toepassing), in het kader waarvan het onderzoek is uitgevoerd, dient te worden vermeld, alsmede het bevoegd gezag in deze
  • De uitvoerder en de autorisator (senior archeoloog/prospector) van het onderzoek en de datum van uitvoering dienen in het rapport te worden vermeld
  • De opdrachtgever (naam bedrijf/instelling, contactpersoon, adres, telefoonnummer, e-mail adres) van het onderzoek dienen in het rapport te worden vermeld

3. Geplande werkzaamheden

  • De voorgenomen inrichting en de aard, omvang en diepte van de daarbij voorgenomen bodemingrepen dienen te worden vermeld en, indien essentieel, op kaart te worden aangegeven

4. Beleidsinstrumenten

  • De archeologieparagraaf van vigerende bestemmingsplannen dienen te worden geraadpleegd (het daarin gestelde is in principe leidend)
  • De gemeentelijke Archeologische Waarden-en Beleidskaarten dienen te worden geraadpleegd
  • Eventuele overige door het bevoegd gezag genomen van toepassing zijnde besluiten moeten worden geraadpleegd. Deze zijn op te vragen bij het bevoegd gezag

5.Historische gegevens

  • Relevante historische kaarten dienen te worden geraadpleegd. In de tekst dient een beschrijving te worden opgenomen van belangrijke structuren en elementen op de betreffende kaart(en)
  • Eventueel beschikbare andere bronnen met (gedetailleerde) historische informatie over het plangebied (bijvoorbeeld relevante publicaties, luchtfoto’s, AHN) moeten worden geraadpleegd

6. Aardwetenschappelijke gegevens

  • De geologische kaart 1:50.000 dient altijd te worden geraadpleegd. Indien een kaartblad niet uitgegeven is, dient dit nadrukkelijk te worden vermeld
  • Van de geraadpleegde kaarten wordt vermeld en toegelicht welke kaarteenheden in en om het plangebied voorkomen en wordt (indien van toepassing) ter verduidelijking een afbeelding opgenomen in het rapport
  • Eventueel beschikbare andere bronnen met (gedetailleerde) informatie over de geologische, geomorfologische of bodemkundige gesteldheid van het plangebied (bijvoorbeeld uit bodemkundig-of milieuonderzoek, luchtfoto’s, AHN) moeten worden geraadpleegd

7. Archeologische gegevens

  • In het rapport dient een kaart van het plangebied en omgeving opgenomen te zijn, met daarop de monumenten volgens de provinciale CHS (inclusief status), gemeentelijk archeologische monumenten en waarnemingen in Archis. Tevens dient een toelichting hierop in de tekst opgenomen te zijn
  • De op deze kaart weergegeven nummers van monumenten en waarnemingen dienen leesbaar te zijn
  • Bij Archeologie Rotterdam (BOOR) dient navraag te worden gedaan naar het voorkomen in het plangebied van nog niet in Archis opgenomen vondstmeldingen en/of andere relevante archeologische gegevens

8. Archeologisch verwachtingsmodel

  • Naast de in de KNA-specificatie LS05 genoemde eigenschappen als datering, complextype, omvang, de diepteligging en de (prospectie)kenmerken dient ook de (litho)stratigrafische positie van de te verwachten archeologische waarden te worden vermeld
  • De hierboven genoemde onderdelen dienen helder en overzichtelijk te worden gepresenteerd, bij voorkeur in een tabel met een toelichtend schrijven
  • Indien er meer archeologisch relevante niveaus worden verwacht, dienen de hierboven genoemde onderdelen per niveau te worden vermeld

9.Gevolgen voorgenomen werkzaamheden voor archeologische waarden

  • De gevolgen van de voorgenomen werkzaamheden voor bekende en/of verwachte archeologische waarden dienen te worden beschreven en op kaart te worden aangegeven

10. Conclusies bureauonderzoek en advies vervolgonderzoek

  • Indien vervolgonderzoek wordt geadviseerd, dient dit (indien ter zake) te worden weergegeven op een advieskaart in het rapport, met daarop de nader te onderzoeken delen van het plangebied en de voorgestelde methode van onderzoek
  • Indien vervolgonderzoek wordt geadviseerd, dient specifiek te worden vermeld welk onderzoek (KNA-onderzoeksfase of fasen) het betreft en welk doel het vervolgonderzoek heeft
  • Het advies dient afgestemd te zijn op de voorgenomen bodemingrepen en het vastgestelde archeologiebeleid van de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam en Westvoorne.

11. Rapportage

De resultaten van het bureauonderzoek zullen in de vorm van een rapport, separaat of in combinatie met de rapportage van de veldwerkresultaten, worden gepresenteerd. Het (definitieve) rapport wordt aan de opdrachtgever geleverd. Daarnaast wordt het gestuurd naar het bevoegd gezag, Archeologie Rotterdam (BOOR), de provincie Zuid-Holland, de Koninklijke Bibliotheek en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, conform de toeleveringseisen van betreffende instanties.

  • a) Rapportage algemeen-De rapportage wordt opgesteld conform de eisen uit de KNA-specificatie LS06
    • De rapport-titel bevat een directe verwijzing naar de gemeente, het plangebied en de uitgevoerde KNA-onderzoeksfase(n).-Delen van het rapport, zoals de samenvatting en de verklarende woordenlijst, zijn bedoeld voor de opdrachtgever en zijn de verantwoordelijkheid van de uitvoerder. Deze delen van het rapport worden niet getoetst en mogen geen unieke of afwijkende informatie bevatten
    • Het rapport dient een overzicht van alle geraadpleegde literatuur en bronnen te bevatten, inclusief kaarten, digitale bronnen en geraadpleegde archieven, instellingen en personen
    • Het uitgevoerde onderzoek, de resultaten, de analyse, de conclusie en de aanbevelingen dienen toetsbaar en controleerbaar te zijn; de rapportage moet daarom helder en volledig zijn en dient alle essentiële informatie bevatten
    • In het rapport dient expliciet de doel-en vraagstelling van het onderzoek te worden geformuleerd
    • De in het rapport opgenomen kaart of kaarten dienen te voldoen aan de algemene cartografische standaarden. Kaarten horen schaalvast te worden afgedrukt op een gebruikelijke en relevante schaal
    • Alle kaarten en afbeeldingen dienen voorzien te zijn van de begrenzing van het plangebied (voor zover mogelijk)
  • b) Rapportage resultaten
    • Van alle geraadpleegde kaarten dient, voor zover essentieel, een afbeelding opgenomen te worden, met daarop aangegeven de begrenzing van het plangebied.-In het rapport dient, indien van toepassing, een kaart (of kaarten) opgenomen te worden met daarop aangegeven de resultaten van het onderzoek. De voorgenomen bodemingrepen worden hierop ook aangegeven.
  • c )Rapportage conclusies en aanbevelingen
    • In het rapport dient een zinsnede te worden opgenomen, dat over de onderzoeksresultaten en het uitgebrachte advies contact opgenomen dient te worden met de bevoegde overheid
  • d )Rapportage aanlevering
    • Het concept-rapport wordt digitaal geleverd aan het bevoegd gezag, met tekst en figuren, bij voorkeur in één bestand (.doc of .pdf).-Het rapport dient te zijn voorzien van een versienummer en datum. Indien een gewijzigde versie van het rapport wordt vervaardigd, dienen deze gegevens te worden aangepast. -In het rapport (in het colofon) of in een begeleidend schrijven dient te worden aangegeven aan wie het commentaar kan worden gericht (auteur of projectleider; bij voorkeur e-mailadres).

12. Goedkeuring rapportage

  • Pas na goedkeuring van het rapport door het bevoegd gezag kan het onderzoek worden afgesloten
  • De goedkeuring van het rapport wordt schriftelijk door het bevoegd gezag medegedeeld aan de opdrachtgever, een kopie van het schrijven gaat naar de uitvoerder van het onderzoek. In het schrijven wordt tevens gemeld of het advies al of niet wordt onderschreven en als besluit voor eventueel verder onderzoek wordt overgenomen door het bevoegd gezag.

13. Overig

  • Indien het bureauonderzoek informatie oplevert over nieuwe vondsten of vindplaatsen of nieuwe informatie over reeds bekende vondsten of vindplaatsen, dan dient die informatie te worden doorgegeven aan Archis.

1. Algemeen

  • Het inventariserend veldonderzoek dient te worden uitgevoerd volgens het KNA 4.1-protocol 4003 ‘Inventariserend Veldonderzoek -Overig’ en te voldoen aan alle daarin vermelde specificaties (zie sikb.nl)
  • De randvoorwaarden van het onderzoek worden beschreven in het Programma van Eisen niet-gravend Inventariserend Veldonderzoek, ook wel het Programma van Eisen-boren genoemd (bestaande uit deze ‘Richtlijnen’ en de gebiedsspecifieke onderzoekseisen). Samen met de resultaten van het al uitgevoerde Bureauonderzoek wordt het Plan van Aanpak niet-gravend Inventariserend Veldonderzoek gemaakt.
  • Het PvA dient voorafgaand aan de uitvoering van het veldonderzoek door de bevoegde overheid inhoudelijk te worden getoetst en goedgekeurd.-De ‘Richtlijnen’ hebben betrekking op archeologisch onderzoek door middel van boringen. Op onderzoekslocaties die zich daartoe lenen, moet aanvullende informatie worden verzameld door bijvoorbeeld inspectie van baggerspecie of van opgeschoonde sloottaluds

2. Opstellen Plan van Aanpak

  • a) Plan van Aanpak algemeen
    • Het PvA dient te voldoen aan de eisen van KNA-specificatie VS01
    • De fase(n) van het beoogde Inventariserend Veldonderzoek (verkenning, kartering en/of waardering) dient(en) specifiek te worden benoemd in het PvA, inclusief per onderzoeksfase de bijbehorende doelstelling en relevante onderzoeksvragen.-In het geval dat het Inventariserend Veldonderzoek in een deel van het plangebied plaatsvindt, dient het onderzoeksgebied duidelijk te worden omschreven in het PvA. Hierbij dient de oppervlakte van het onderzoeksgebied te worden vermeld.
    • De locatie en de begrenzing van het plangebied en, indien van toepassing, het onderzoeksgebied dienen te worden weergegeven op een recente topografische kaart, op relevante schaal
    • De voorgenomen inrichting en de aard, omvang en diepte van de daarbij voorgenomen bodemingrepen dienen te worden vermeld en indien essentieel op kaart aangegeven.
  • b )Plan van Aanpak onderzoeksvoorstel
    • Het onderzoeksvoorstel moet gemotiveerd en onderbouwd zijn, inclusief een verwijzing naar een methode uit de KNA-Leidraad IVO Karterend Booronderzoek (of, indien niet van toepassing, een andere relevante publicatie zoals RAAP-rapport 1000).
    • Het karterend onderzoek dient geschikt te zijn om de te verwachten vindplaatsen ook daadwerkelijk op te sporen, waarbij de minst destructieve en/of intensieve methode geselecteerd dient te worden. Indien ervoor wordt gekozen om in eerste instantie nog niet alle typen vindplaatsen te karteren, dan moet nadrukkelijk worden vermeld dat dit in een later stadium nog moet gebeuren
    • Bij een booronderzoek dient het boorsysteem (raai of grid), de onderzoeksintensiteit (boringen/ha), het aantal boringen, het type boor met boordiameter (tot/vanaf welke diepte), de boordiepte en de waarnemingsmethode (zeven, snijden) specifiek te worden vermeld. De voorgestelde methode dient verder te voldoen aan de KNA-specificatie VS03.

3. Uitvoering inventariserend veldonderzoek

  • Het bevoegd gezag stelt een aantal specifieke eisen aan de uitvoering van het inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen
  • De x-/y-coördinaat van de boorpunten kunnen handmatig (met bijvoorbeeld een meetlint) worden bepaald, waarbij de meetfout maximaal 1,0 meter mag bedragen (tenzij in het PvE anders aangegeven)
  • De z-coördinaat wordt bepaald met een meettoestel (GPS, waterpas, total station e.d.), waarbij de meetfout maximaal 3 cm bedraagt (tenzij in het PvE anders aangegeven). Bij het vaststellen van de z-coördinaat mag geen gebruik worden gemaakt van het AHN.-De methode van inmeten van boorpunten of waarnemingen en de meetfout/nauwkeurigheid (maximale afwijking) moeten worden vermeld.
  • De boorkernen dienen volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB) of een direct daarvan afgeleide methode te worden beschreven. Hierbij wordt extra benadrukt dat:
    • De begrenzing van de laagvlakken tot op de cm nauwkeurig dient te worden vastgesteld
    • De aard van de grenzen dient te worden vastgesteld (bijvoorbeeld erosief). Bedoeld is in elke boorbeschrijving bij elke laagbegrenzing. Een overgang kan worden gekarakteriseerd als: diffuus; geleidelijk; scherp/abrupt; erosief.

4. Rapportage inventariserend veldonderzoek

De resultaten van het inventariserend veldonderzoek zullen in de vorm van een rapport worden gepresenteerd. Het (definitieve) rapport wordt aan de opdrachtgever geleverd. Daarnaast wordt het gestuurd naar het bevoegd gezag, Archeologie Rotterdam (BOOR), de provincie Zuid-Holland, de Koninklijke Bibliotheek en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, conform de toeleveringseisen van betreffende instanties.

  • a) Rapportage algemeen
    • De rapportage wordt opgesteld conform de eisen uit de KNA-specificatie VS05
    • De rapporttitel bevat een directe verwijzing naar de gemeente, het plangebied en de uitgevoerde KNA-onderzoeksfase(n).-Het uitgevoerde onderzoek, de resultaten, de analyse, de conclusie en de aanbevelingen dienen toetsbaar en controleerbaar te zijn; de rapportage dient daarom helder en volledig te zijn en moet alle relevante informatie bevatten
    • Delen van het rapport, zoals de samenvatting en de verklarende woordenlijst, zijn bedoeld voor de opdrachtgever en zijn de verantwoordelijkheid van de uitvoerder. Deze delen van het rapport worden niet getoetst en mogen geen unieke of afwijkende informatie bevatten
    • De uitvoerder en de autorisator(senior archeoloog/-prospector) van het inventariserend onderzoek en de datum van uitvoering dienen in het rapport te worden vermeld
    • De resultaten van het Bureauonderzoek, inclusief de gespecificeerde archeologische verwachting (zie Richtlijnen voor Bureauonderzoek) en eventueel ander eerder uitgevoerd onderzoek, dienen in het rapport te worden opgenomen. -In het rapport dient(en) expliciet de fase(n) van het uitgevoerde Inventariserend Veldonderzoek (verkenning, kartering en/of waardering) te worden benoemd, inclusief per onderzoeksfase, de bijbehorende doelstelling en relevante onderzoeksvragen
    • In het rapport dient een verwijzing te bevatten naar het PvE en PvA, waarvan alle essentiële onderdelen dienen te worden opgenomen in het rapport
    • Het rapport dient voorzien te zijn van alle essentiële kaarten en afbeeldingen
    • De in het rapport opgenomen kaart of kaarten dienen te voldoen aan de algemene cartografische standaarden. Kaarten behoren schaalvast afgedrukt te worden op een gebruikelijke en relevante schaal
    • Alle kaarten en afbeeldingen dienen voorzien te zijn van de begrenzing van het plangebieden, indien van toepassing, van het onderzoeksgebied
    • Indien een waarderend onderzoek is uitgevoerd, dient van iedere vindplaats een waardestelling volgens KNA-specificatie VS06 te zijn opgenomen
    • De opdrachtgever (naam bedrijf/instelling, contactpersoon, adres, telefoonnummer, e-mail adres) van het onderzoek dienen in het rapport te worden vermeld.
  • b) Rapportage resultaten
    • De boorkernbeschrijvingen dienen tevens de meest van toepassing zijnde interpretaties (in elk geval de onderscheiden stratigrafische eenheden) te bevatten
    • De in het veld onderscheiden stratigrafische eenheden moeten (zorgvuldig) worden beschreven
    • Voorde onderscheiden stratigrafische eenheden wordt (ook) de conventionele benaming gebruikt: Afzettingen van Duinkerke (0, I, II en III), Hollandveen en Afzettingen van Calais (I, II, III en IV), Hellevoeterzand en dergelijke
    • In het rapport dient een kaart met de boorpunten te worden opgenomen
    • In het rapport dient een kaart (of kaarten) te worden opgenomen met daarop aangegeven de resultaten van het onderzoek per boorpunt (aanwezigheid archeologische indicatoren en vondsten alsmede de aard, datering en diepteligging van de indicatoren en het stratigrafische niveau waarop zij zijn gevonden). Voor zover essentieel worden op de kaart ook de voorgenomen bodemingrepen aangegeven
    • Om de interpretaties binnen de profielen controleerbaar te maken, worden bij het tekenen van de profielen de boorstaten weergegeven en wordt de (litho)stratigrafische informatie van de boorkernbeschrijvingen goed herkenbaar bij de boorstaten geplaatst. In het PvE wordt aangegeven van welke boorraai(en) met gebruikmaking van de boorstaten een profiel getekend moet worden.
    • In het (de) profiel(en) wordt de oxidatie-reductiegrens aangegeven.
  • c) Rapportage conclusies en aanbevelingen
    • In de conclusie moet een terugkoppeling naar de gespecificeerde archeologische verwachting en eventueel eerder uitgevoerd onderzoek worden opgenomen, met een verklaring van eventuele afwijkingen
    • De geformuleerde onderzoeksvragen dienen beantwoord te worden (voor zover van toepassing)
    • Indien vervolgonderzoek wordt geadviseerd, dient (indien essentieel) een beleidsadvieskaart met daarop de nader te onderzoeken delen van het plangebied te worden opgenomen, eventueel met de voorgestelde onderzoeksmethode
    • Het advies dient afgestemd te zijn op de voorgenomen bodemingrepen en dient rekening te houden met het archeologiebeleid van de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Nissewaard, Rotterdam, Schiedam en Westvoorne
    • Indien vindplaatsen zijn gewaardeerd, dan dient een selectieadvies te worden opgesteld, dat een redengevende omschrijving geeft van het advies
    • Indien van aangetroffen vindplaatsen geoordeeld wordt dat ze in aanmerking komen voor plaatsing op de lijst van terreinen met vastgestelde archeologische waarde (archeologisch monument), dan moet daarvoor een aanbeveling met motivatie worden opgenomen
    • In het rapport dient een zinsnede te worden opgenomen, dat over de onderzoeksresultaten en het uitgebrachte advies contact opgenomen dient te worden met de bevoegde overheid.
  • d) Rapportage aanlevering
    • Het conceptrapport wordt geleverd aan het bevoegd gezag, met tekst en figuren, bij voorkeur in één bestand (.doc of .pdf).-Het rapport dient te zijn voorzien van een versienummer en datum. Indien een gewijzigde versie van het rapport wordt vervaardigd, dienen deze gegevens te worden aangepast. -In het rapport (in het colofon) of in een begeleidend schrijven dient te worden aangegeven aan wie het commentaar kan worden gericht (auteur of projectleider; bij voorkeur e-mail adres)

5. Goedkeuring rapportage

  • Pas na goedkeuring van het rapport door het bevoegd gezag kan het onderzoek worden afgesloten
  • De goedkeuring van het rapport wordt schriftelijk door het bevoegd gezag medegedeeld aan de opdrachtgever, een kopie van het schrijven gaat naar uitvoerder van het onderzoek. In het schrijven wordt tevens gemeld of het advies al of niet wordt onderschreven en als besluit voor eventueel verder onderzoek wordt overgenomen door het bevoegd gezag.

6. Overig

  • Indien het niet-gravend Inventariserend Veldonderzoekinformatie oplevert over nieuwe vondsten of vindplaatsen, dan wel nieuwe informatie geeft over reeds bekende vondsten of vindplaatsen, dan dient zulke informatie te worden doorgegeven aan Archis.

Voor informatie of vragen over deze richtlijnen en/of archeologisch onderzoek binnen Rotterdam kunt u contact opnemen met het team Beheer en Beleid van Archeologie Rotterdam:

Contactpersonen voor de overige gemeenten, bij wie men voor inlichtingen terecht kan, zijn:

  • BAR-organisatie (Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk), Rob Belder, 010 - 506 17 23; r.belder@bar-organisatie.nl
    • Albrandswaard: Postbus 1000, 3160 GA Rhoon
    • Barendrecht: Postbus 501, 2990 EA Barendrecht
    • Ridderkerk: Postbus 271, 2980 AG Ridderkerk
  • Capelle aan den IJssel: Tamira Buijze, Postbus 70, 2900 AB Capelle aan den IJssel, 010 - 284 87 78, t.n.buijze@capelleaandenijssel.nl
  • Hellevoetsluis: Marlies van Santen, Postbus 13, 3220 AA Hellevoetsluis, 0181 - 330 313, m.santen@hellevoetsluis.nl
  • Nissewaard: Martin Jonker, Postbus 25, 3200 AA Spijkenisse, 0181 - 696 163, m.jonker@nissewaard.nl
  • Schiedam: Arjen van Vliet, Postbus 1501, 3100 EA Schiedam, 010 - 219 17 96, ag.v.vliet@schiedam.nl
  • Westvoorne: Nienke Koeman, Postbus 550, 3235 ZH Rockanje, 0181 - 408 000, nn.koeman@westvoorne.nl

In Rotterdam en omgeving hebben al lang geleden mensen gewoond. Deze oudste periode wordt de prehistorie genoemd, de tijd waarin nog geen geschreven bronnen bestonden.

  • Oude Steentijd: de vroegste bewoners
    Ruim 250.000 jaar geleden zetten mensen voor het eerst stappen in wat nu Nederland is. Na deze ‘vroege’ mensen komen de Neanderthalers. De sporen en gereedschappen die zij achterlaten, liggen in West-Nederland verborgen onder metersdikke lagen van zand, klei en veen. De Neanderthalers sterven 35.000 jaar geleden uit en maken plaats voor de ‘moderne’ mens, onze directe voorouders.
  • Midden-Steentijd: kampen van jagers en vissers
    Na de laatste ijstijd, rond 9000 voor Christus, stijgt de zeespiegel. In West-Nederland ontstaan waterrijke gebieden, met volop voedsel voor de jagers en vissers die hier dan leven. Ze trekken in groepjes rond en maken door het jaar heen op verschillende plekken een kamp. Dat zijn tijdelijke woonplekken, waarvoor ze in West-Nederland vooral de hogere rivierduinen (donken) uitkiezen.
  • Nieuwe Steentijd: de eerste boeren
    De eerste boeren verschijnen rond 5300 voor Christus in ons land. Het zijn  ‘nieuwkomers’, die gaan wonen op de vruchtbare grond in Zuid-Nederland. Ze bouwen boerderijen van hout, houden vee, leggen akkers aan, maken aardewerk en gebruiken stenen bijlen. De bewoners in onze streek nemen langzamerhand de gebruiken over van de nieuwe boeren. Daarnaast blijven ze ook jagen en vissen.
    In dezelfde tijd dat in Drenthe de hunebedden worden gebouwd, wonen in onze streek mensen in de duinen. En op de kwelders bij de kust, en op de oeverwallen langs de geulen. Het zijn hoge, droge plekken in de buurt van water. Ideale woonplaatsen voor de beginnende boeren in deze streek, die een heel eigen manier van leven hebben. Hun sporen zijn voor het eerst ontdekt in Spijkenisse en Vlaardingen. Archeologen noemen ze daarom de mensen van de 'Vlaardingencultuur’.
  • Bronstijd: boeren in een natter landschap
    Ook in de Bronstijd (vanaf 2000 voor Christus) wonen er boeren rond de monding van de Maas. Voor het eerst maken en gebruiken mensen nu voorwerpen van metaal (brons). De boerderijen staan in de duingebieden langs de kust op de kwelders. En ook langs rivieren en geulen, zoals bij Barendrecht. Alleen komt daar aan de bewoning snel een eind. Waarschijnlijk is het landschap er te nat voor het boerenbestaan. Er is veen gaan groeien en er ontstaan steeds meer moerassen.
  • IJzertijd: echte boerenbedrijven
    Vanaf 800 voor Christus wonen er steeds meer mensen in onze regio. Delen van de moerassen vallen droog doordat er vanuit zee geulen en kreken doorheen lopen. Zo gauw het kan, trekken de mensen het drogere land in. Ze bouwen hun boerderijen op de hoger gelegen plekken. De boerderijen zijn soms wel 25 meter lang en er staan dan ook minimaal 24 stuks vee in. Vooral koeien zijn populair. Op de menukaart staan ook hazelnoten, bramen, wilde appels, gerst, gierst en lijnzaad, brood en vis. Ook vinden we sieraden van glas, metaal en barnsteen, die soms door handel uit verre streken zijn gehaald.

In het jaar 12 voor Christus komt de zuidelijke helft van Nederland tot aan de Rijn in Romeinse handen. Dat heeft grote gevolgen.

Er komen wegen en kanalen. Aan de rijksgrens langs de Rijn worden forten gebouwd. Ook de monding van de Maas wordt bewaakt: bij Oostvoorne heeft waarschijnlijk een Romeins fort gelegen.

De boerenbedrijven worden groter en gaan meer produceren. De Romeinse legers en bestuurders zorgen namelijk voor een groeiende vraag naar voedsel en andere producten. Om meer land geschikt te maken voor akkerbouw en veeteelt graven de mensen sloten en greppels. Ze leggen ook dammen en sluizen aan. De lokale bevolking profiteert van de economisch goede tijden. Ze kan zich soms Romeinse luxegoederen veroorloven (dakpannen, vloerverwarming, glazen vaatwerk en zelfs oesters).

In de tweede helft van de 3e eeuw gaat het politiek en economisch slecht met het Romeinse rijk. In onze (grens)streek zijn er steeds meer vijandelijke invallen en tegelijkertijd wordt het landschap natter. Voor de boeren is het bestaan moeilijk en de mensen trekken daarom weg.

Vermoedelijk al in de 8e en zeker in de 9e eeuw vestigen mensen zich op de iets hoger gelegen, smalle kleiige oevers van het riviertje de Rotte. Uit die vroege periode kennen we enkele vondsten, zoals aardewerk, mantelspelden en munten.

Duidelijker zijn de archeologische gegevens over de 10e- tot 12e-eeuwse bewoning langs de Rotte. Uit die periode zijn ook resten van boerderijen gevonden. Tussen het huidige Hofplein en de Maas lag ooit de nederzetting Rotta, met huizen langs beide oevers van het riviertje. De veen- en kleigronden zijn geschikt gemaakt voor akkerbouw, veeteelt en moestuinen. In twee oorkonden uit 1028 en 1050 wordt de kerk van Rotta genoemd. Tot nu toe is die nog niet bij een opgraving ontdekt.

In Rotta wonen boeren, die leven van de opbrengst van het eigen land en vee. Hun houten boerderijen, tussen de 15 en 20 meter lang, staan op kleine terpjes. Sommige producten halen ze van ver via handel: aardewerk uit België, Duitsland, Noord-Frankrijk of Engeland bijvoorbeeld. Dat er handel was, weten we ook door de vondst van munten uit Tiel, een belangrijke plaats in die tijd.

Rond het midden van de 12e eeuw komt er een eind aan de bewoning. Door de ontginningen is de bodem gedaald en er komen overstromingen. Het water van de Nieuwe Maas stroomt met kracht de Rotte binnen, ook de oevers worden aangetast. Allerlei gebruiksvoorwerpen en nederzettingsafval spoelen weg en komen in de modder terecht. Daar vinden archeologen honderden jaren later ook menselijke beenderen – misschien een aanwijzing voor het kerkhof van de kerk van Rotta?

Ontstaan van de stad Rotterdam

Meteen nadat de dam is aangelegd, worden er houten huizen op gebouwd; de nederzetting Rotterdam groeit snel. Rond 1300 wonen er een paar honderd mensen op de dam en in de zijstraten. De dam in de Rotte (de Hoogstraat) is lang het hart van de stad. Vóór de dam ligt het Steiger; vroeger een belangrijke haven, maar in het huidige Rotterdam een onopvallend water. Vlakbij staat de Sint-Laurenskerk. Verderop aan de Hoogstraat ligt het gasthuis, later het raadhuis. En ook de herberg waar de Graaf van Holland overnacht als hij in Rotterdam is. In deze buurt woont de elite van de stad!

Dat verandert vanaf de 17e eeuw: dan wonen de rijke en belangrijke Rotterdammers aan de Boompjes of het Haringvliet. De Hoogstraat ontwikkelt zich tot de belangrijkste winkelstraat van Rotterdam. Een situatie waaraan het bombardement van 14 mei 1940 een einde maakt. Nu wordt de buurt (het Laurenskwartier) weer opgeknapt en staat er zelfs de eerste overdekte markthal van Nederland. De cirkel is rond! In de bouwput van de Markthal vonden de archeologen van het BOOR een boerderij uit de tijd van Rotta…

Vondsten uit de Laat-Romeinse periode en uit het begin van de Middeleeuwen zijn schaars. Misschien wonen er nog wat mensen op vroegere strandwallen langs de kust of op oeverwallen langs de Maas?

Pas vanaf de 7e eeuw komt de bewoning weer op gang. In 1028 is in een historische bron de eerste vermelding van de kerk van Rotta: de vroegste voorloper van Rotterdam. We kennen deze plaats al van archeologische vondsten uit de 8e-9e eeuw. Ook langs de zuidoever van de Maas ontstaan nederzettingen, zoals Witla. In 836 wordt Witla verwoest door de Vikingen.

Late Middeleeuwen: ontginningen en nederzettingen

Rond het jaar 1000 is de ontginning van het Maasmondgebied in volle gang. Struiken en bomen worden gekapt en met duizenden ontginningssloten wordt het land droger gemaakt. De bodem begint 'in te klinken' en het land komt lager te liggen. Hierdoor moeten weer  kades en dijken aangelegd worden. Het helpt uiteindelijk niet. In de loop van de 12e eeuw en later worden grote delen van het land verwoest door overstromingen. En opnieuw moet men dijken bouwen.

Vanaf de 13e eeuw worden op en langs de nieuwe dijken groepen huizen gebouwd. Sommige groeien uit tot ommuurde steden: Brielle, Geervliet, Schiedam en Rotterdam. Uit deze periode kennen we verdedigbare stenen huizen en kastelen van adellijke families. Andere belangrijke gebouwen die door archeologen zijn onderzocht, zijn kerken, kloosterterreinen en verdedigingswerken (stadsmuren, -poorten en -torens).

Nieuwe tijd: de archeologie als aanvulling op de geschiedenis

Lange tijd blijft het gebied hetzelfde van karakter. Steden met daaromheen stadswallen, verspreid in het land kleine dorpen en her en der losse boerderijen in de polders. Eigenlijk is het landschap op veel plaatsen tot in 20e eeuw zo gebleven. In deze Nieuwe tijd bestaan natuurlijk steeds meer en betere geschreven bronnen. Toch kan de archeologie soms nog verrassende aanvullende informatie over het verleden geven.

Archeologie Rotterdam houdt u graag op de hoogte via diverse publicaties als de BOOR-rapporten, de BOORbalans, het BOORnieuws en de serie boekjes 'Ontdek! Archeologie in Rotterdam'.

De BOORrapporten worden geschreven als verslaglegging van elk archeologisch onderzoek. Inmiddels zijn meer dan 500 BOORrapporten verschenen. In het e-depot Nederlandse archeologie kunt u (onder voorbehoud van toegangsrechten) alle rapporten downloaden als pdf-bestand. Van een aantal grote opgravingen in Rotterdam zijn full-colour publicaties verschenen. Deze publicaties zijn (tegen betaling van 10 euro, inclusief verzendkosten) bij het BOOR te bestellen: 

  • BOORrapport 541 Rotterdam Timmerhuis
  • BOORrapport 469-1 Markthal Rotta
  • BOORrapport 469-2 Markthal Westnieuwland
  • BOORrapport 422: middeleeuwse bewoning in Rotterdams Blijdorp

De BOORbalans is de wetenschappelijke publicatiereeks. Hierin wordt een aantal onderwerpen verder uitgewerkt. De Kroniek is ook een onderdeel van de BOORbalans: dit vormt het overzicht van alle onderzoeken die door het BOOR in de voorgaande jaren zijn uitgevoerd. U kunt een of meer uitgaven van de BOORbalans, kosten 5 euro (inclusief verzendkosten) bestellen door een e-mail te sturen naar boor@rotterdam.nl onder vermelding van uw naam, adres en telefoonnummer en uiteraard welke editie(s) u wilt bestellen. Wij sturen u de publicaties met factuur toe. Eventueel kunt u ook telefonisch bestellen: 010 - 489 85 00.

  • BOORbalans 7 Archeologisch onderzoek in de gemeente Barendrecht
  • BOORbalans 6: Bijdragen aan de bewoningsgeschiedenis van het Maasmondgebied
  • BOORbalans 3: Archeologisch onderzoek in het tracé van de Willemsspoortunnel te Rotterdam
  • BOORbalans 2: Bijdragen aan de bewoningsgeschiedenis van het Maasmondgebied

Het BOORnieuws is een nieuwsbrief voor een breed publiek. Hij verschijnt 2 tot 3 keer per jaar. Een gratis abonnement kunt u aanvragen door een mail te sturen naar boor@rotterdam.nl. U wordt dan op de verzendlijst gezet.

'Ontdek! Archeologie in Rotterdam' is de naam van een reeks publieksboeken over archeologisch onderzoek in gemeente Rotterdam en omgeving. De boekjes worden verkocht bij diverse boekhandels in Rotterdam en omgeving en zijn ook te bestellen bij het BOOR.

  • Ontdek 1: Delfshaven - Een VOC-werf opgegraven (5 euro inclusief verzendkosten)
  • Ontdek 2: Onder de Markthal - Middeleeuwse bewoning in het hart van Rotterdam (8 euro inclusief verzendkosten)
  • Ontdek 3: Van dijk naar sloppenwijk - Archeologie onder het Timmerhuis (8 euro inclusief verzendkosten)
  • De archeologie van Bernisse - Leven en landschap in de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen (5 euro inclusief verzendkosten)
  • Groot Graafboek (9,50 euro inclusief verzendkosten)
  • Ontdekt! Vijftig jaar archeologie in Rotterdam en omgeving - publieksboek naar aanleiding van het 50-jarig bestaan van BOOR (5 euro inclusief verzendkosten)

Bestellen

Eén of meer publicaties bestellen? Dit kan door een mail te sturen naar boor@rotterdam.nl onder vermelding van uw naam, adres en telefoonnummer en natuurlijk welke publicatie(s) u wilt bestellen. We sturen u dan de publicaties en een factuur. Eventueel kunt u ook telefonisch bestellen via 010 - 489 85 00.

Meer informatie

Archeologie Rotterdam (voorheen BOOR)
Ceintuurbaan 213b
3051 KC Rotterdam
010 - 489 85 00
boor@rotterdam.nl