Archeologie
Gepubliceerd op: 15-12-2016
Geprint op: 11-12-2018
https://www.rotterdam.nl/bestuur-organisatie/archeologie/
Spring naar het artikel
Foto: gemeente Rotterdam

De archeologen van gemeente Rotterdam beheren en onderzoeken de resten van het verleden: het bodemarchief. De resultaten van het archeologische onderzoek worden gepresenteerd aan de inwoners van Rotterdam en andere belangstellenden.

Terug in de tijd ...

Na de slag bij Vlaardingen in 1018, die werd gewonnen door graaf Dirk III kwam het graafschap Holland tot bloei. Hierover gaat de tentoonstelling ‘De eerste eeuwen van Holland – ontstaan en groei van een bijzonder graafschap’.

Deze tentoonstelling is van 5 tot en met 28 februari 2018 is deze reizende tentoonstelling te zien in de centrale hal van bibliotheek Rotterdam.

Het gebied dat we nu kennen als Holland was 1000 jaar geleden nog grotendeels onbewoonbaar.  Rond 1400 was het een onafhankelijke politieke en economische macht van betekenis, ondanks het kleine oppervlak en ondanks het feit dat het gebied voor een groot deel uit water bestond. In de tentoonstelling reizen bezoekers door die vier eeuwen van verandering, van kleine, grotendeels agrarische nederzettingen naar welvarende steden met sterke posities in productie en handel. De tentoonstelling ontrafelt dit ‘geheim van Holland’. De bezoeker ontdekt hoe de groei en bloei te verklaren is, die tot aan de dag van vandaag bepaalt hoe we hier leven.

Grafelijke verhalen

In de tentoonstelling nemen vier graven en een gravin de bezoekers bij de hand met sfeerimpressies, voorwerpen en verhalen. Dit zijn achtereenvolgens Dirk III, Willem I, Floris V, Albrecht van Beieren en tot slot Jacoba van Beieren. Graaf Dirk III bijt dus het spits af. Toen hij omstreeks het jaar 1000 als graaf ging regeren, was er nog geen sprake van één graafschap ‘Holland’. Het kustgebied maakte deel uit van het Duitse keizerrijk en werd toen ‘Frisia’ ofwel ‘Friesland’ genoemd. Dirk was er de machtigste, maar niet de enige edelman. In 1018 versloeg hij een leger van de Duitse keizer. Vanaf die Slag bij Vlaardingen gedroegen de graven zich steeds onafhankelijker. Dirk stierf in 1039 en werd begraven in de abdij van Egmond.

Boeren nemen bezit van het land

Rond het jaar 1000 was Holland een groot natuurgebied: lage duinen langs de kust, met landinwaarts een enorm veenmoeras. Grote rivieren stroomden er doorheen naar zee. In de Kop van Noord-Holland, Texel en het Westland lagen kleigronden. Het hele gebied was voor 90 procent onbewoond. Langs de kust en aan de rivieren leefden enkele tienduizenden mensen, voornamelijk boeren. Steden waren er niet, De grootste plaatsen waren handelsnederzettingen, zoals Medemblik en Vlaardingen. Rond de hoven en versterkingen van de graaf, zoals bij Egmond, Rijnsburg, Leiden en Vlaardingen, woonden ook nog mensen.

Het is omstreeks het jaar 1000 als een groep Friezen naar het ontoegankelijke Merwedewoud bij Vlaardingen trekt. Dirk III legt regels op. 'Ieder kreeg een stuk om te ontginnen; ze kregen opdracht dat land te bebouwen en belasting te betalen over de opbrengst',  beschrijft een tijdgenoot de ontginningen van het grote Hollandse veengebied. Met meer woon- en landbouwgrond kan de bevolking groeien. Meer boeren krijgen eigen land en hun graaf krijgt meer opbrengsten. Drie eeuwen na Dirk III is het enorme moeras ontgonnen.

De laatste gravin

In 1417 wordt Jacoba van Beieren gravin van Holland. Zij is 16 jaar en na jaren van strijd om de macht in haar graafschap doet ze in 1433 afstand van haar titel. Holland wordt deel van het Bourgondische rijk. Drie jaar later sterft Jacoba op het kasteel van Teijlingen. De laatste gravin van Holland wordt begraven in de Hofkapel in Den Haag. Met haar sterft Holland als onafhankelijk staatje. Voor Filips van Bourgondië, de volgende machthebber, is Holland een afgelegen stukje van zijn veel grotere rijk. De taal spreekt hij niet en hij komt er niet vaak, net zo min als zijn opvolgers. Zijn achter-achterkleinzoon, Filips II, de latere koning van Spanje, bezoekt Holland één keer, in 1549, om ingehuldigd te worden. In 1581 wordt hij ‘afgezworen’ als graaf en nooit meer opgevolgd.   

Holland handelsland

Omstreeks 1400 bestond Europa uit tientallen grotere en kleinere vorstendommen, hertogdommen, bisdommen en graafschappen. Voortdurend waren de graven bezig om verbonden te sluiten met andere, grotere machthebbers, vaak door een huwelijk. Zo verkregen en hielden de graven een belangrijke rol in de Europese politiek.

Hoe klein Holland ook was, het was geen onbetekenend stukje land. Het was strategisch gelegen aan de grote rivieren, de Noordzee en de Zuiderzee. De meeste overzeese handel van en naar wat nu Duitsland heet, liep via de Rijn. De rivierhavens in Holland verdienden daar goed aan. En de Hollanders gingen ook zelf de zee op. In de Zuiderzeehavens en in Haarlem werden veel schepen gebouwd, voor de handel met Engeland, de landen rond de Oostzee, Frankrijk en Spanje. Rond 1400 hadden de Hollanders een groot deel van de handel in Noord-Europa in handen. Als het nodig was, verdedigden ze hun handelsbelangen met geweld. Ze waren dan ook gevreesde concurrenten. 

In Rotterdam en omgeving hebben al lang geleden mensen gewoond. Deze oudste periode wordt de prehistorie genoemd, de tijd waarin nog geen geschreven bronnen bestonden.

Oude Steentijd: de vroegste bewoners

Ruim 250.000 jaar geleden zetten mensen voor het eerst stappen in wat nu Nederland is. Na deze ‘vroege’ mensen komen de Neanderthalers. De sporen en gereedschappen die zij achterlaten, liggen in West-Nederland verborgen onder metersdikke lagen van zand, klei en veen. De Neanderthalers sterven 35.000 jaar geleden uit en maken plaats voor de ‘moderne’ mens, onze directe voorouders.

Midden-Steentijd: kampen van jagers en vissers

Na de laatste ijstijd, rond 9000 voor Christus, stijgt de zeespiegel. In West-Nederland ontstaan waterrijke gebieden, met volop voedsel voor de jagers en vissers die hier dan leven. Ze trekken in groepjes rond en maken door het jaar heen op verschillende plekken een kamp. Dat zijn tijdelijke woonplekken, waarvoor ze in West-Nederland vooral de hogere rivierduinen (donken) uitkiezen.

Nieuwe Steentijd: de eerste boeren

De eerste boeren verschijnen rond 5300 voor Christus in ons land. Het zijn  ‘nieuwkomers’, die gaan wonen op de vruchtbare grond in Zuid-Nederland. Ze bouwen boerderijen van hout, houden vee, leggen akkers aan, maken aardewerk en gebruiken stenen bijlen. De bewoners in onze streek nemen langzamerhand de gebruiken over van de nieuwe boeren. Daarnaast blijven ze ook jagen en vissen.

In dezelfde tijd dat in Drenthe de hunebedden worden gebouwd, wonen in onze streek mensen in de duinen. En op de kwelders bij de kust, en op de oeverwallen langs de geulen. Het zijn hoge, droge plekken in de buurt van water. Ideale woonplaatsen voor de beginnende boeren in deze streek, die een heel eigen manier van leven hebben. Hun sporen zijn voor het eerst ontdekt in Spijkenisse en Vlaardingen. Archeologen noemen ze daarom de mensen van de 'Vlaardingencultuur’.

Bronstijd: boeren in een natter landschap

Ook in de Bronstijd (vanaf 2000 voor Christus) wonen er boeren rond de monding van de Maas. Voor het eerst maken en gebruiken mensen nu voorwerpen van metaal (brons). De boerderijen staan in de duingebieden langs de kust op de kwelders. En ook langs rivieren en geulen, zoals bij Barendrecht. Alleen komt daar aan de bewoning snel een eind. Waarschijnlijk is het landschap er te nat voor het boerenbestaan. Er is veen gaan groeien en er ontstaan steeds meer moerassen.

IJzertijd: echte boerenbedrijven

Vanaf 800 voor Christus wonen er steeds meer mensen in onze regio. Delen van de moerassen vallen droog doordat er vanuit zee geulen en kreken doorheen lopen. Zo gauw het kan, trekken de mensen het drogere land in. Ze bouwen hun boerderijen op de hoger gelegen plekken. De boerderijen zijn soms wel 25 meter lang en er staan dan ook minimaal 24 stuks vee in. Vooral koeien zijn populair. Op de menukaart staan ook hazelnoten, bramen, wilde appels, gerst, gierst en lijnzaad, brood en vis. Ook vinden we sieraden van glas, metaal en barnsteen, die soms door handel uit verre streken zijn  gehaald.

In het jaar 12 voor Christus komt de zuidelijke helft van Nederland tot aan de Rijn in Romeinse handen. Dat heeft grote gevolgen.

Er komen wegen en kanalen. Aan de rijksgrens langs de Rijn worden forten gebouwd. Ook de monding van de Maas wordt bewaakt: bij Oostvoorne heeft waarschijnlijk een Romeins fort gelegen.

De boerenbedrijven worden groter en gaan meer produceren. De Romeinse legers en bestuurders zorgen namelijk voor een groeiende vraag naar voedsel en andere producten. Om meer land geschikt te maken voor akkerbouw en veeteelt graven de mensen sloten en greppels. Ze leggen ook dammen en sluizen aan.

De lokale bevolking profiteert van de economisch goede tijden. Ze kan zich soms Romeinse luxegoederen veroorloven (dakpannen, vloerverwarming, glazen vaatwerk en zelfs oesters).

In de tweede helft van de 3e eeuw gaat het politiek en economisch slecht met het Romeinse rijk. In onze (grens)streek zijn er steeds meer vijandelijke invallen en tegelijkertijd wordt het landschap natter. Voor de boeren is het bestaan moeilijk en de mensen trekken daarom weg.

Vermoedelijk al in de 8e en zeker in de 9e eeuw vestigen mensen zich op de iets hoger gelegen, smalle kleiige oevers van het riviertje de Rotte. Uit die vroege periode kennen we enkele vondsten, zoals aardewerk, mantelspelden en munten.

Duidelijker zijn de archeologische gegevens over de 10e- tot 12e-eeuwse bewoning langs de Rotte. Uit die periode zijn ook resten van boerderijen gevonden. Tussen het huidige Hofplein en de Maas lag ooit de nederzetting Rotta, met huizen langs beide oevers van het riviertje. De veen- en kleigronden zijn geschikt gemaakt voor akkerbouw, veeteelt en moestuinen. In twee oorkonden uit 1028 en 1050 wordt de kerk van Rotta genoemd. Tot nu toe is die nog niet bij een opgraving ontdekt.

In Rotta wonen boeren, die leven van de opbrengst van het eigen land en vee. Hun houten boerderijen, tussen de 15 en 20 meter lang, staan op kleine terpjes. Sommige producten halen ze van ver via handel: aardewerk uit België, Duitsland, Noord-Frankrijk of Engeland bijvoorbeeld. Dat er handel was, weten we ook door de vondst van munten uit Tiel, een belangrijke plaats in die tijd.

Rond het midden van de 12e eeuw komt er een eind aan de bewoning. Door de ontginningen is de bodem gedaald en er komen overstromingen. Het water van de Nieuwe Maas stroomt met kracht de Rotte binnen, ook de oevers worden aangetast. Allerlei gebruiksvoorwerpen en nederzettingsafval spoelen weg en komen in de modder terecht. Daar vinden archeologen honderden jaren later ook menselijke beenderen – misschien een aanwijzing voor het kerkhof van de kerk van Rotta?

Ontstaan van de stad Rotterdam                    

Meteen nadat de dam is aangelegd, worden er houten huizen op gebouwd; de nederzetting Rotterdam groeit snel. Rond 1300 wonen er een paar honderd mensen op de dam en in de zijstraten. De dam in de Rotte (de Hoogstraat) is lang het hart van de stad. Vóór de dam ligt het Steiger; vroeger een belangrijke haven, maar in het huidige Rotterdam een onopvallend water. Vlakbij staat de Sint-Laurenskerk. Verderop aan de Hoogstraat ligt het gasthuis, later het raadhuis. En ook de herberg waar de Graaf van Holland overnacht als hij in Rotterdam is. In deze buurt woont de elite van de stad!

Dat verandert vanaf de 17e eeuw: dan wonen de rijke en belangrijke Rotterdammers aan de Boompjes of het Haringvliet. De Hoogstraat ontwikkelt zich tot de belangrijkste winkelstraat van Rotterdam. Een situatie waaraan het bombardement van 14 mei 1940 een einde maakt. Nu wordt de buurt (het Laurenskwartier) weer opgeknapt en staat er zelfs de eerste overdekte markthal van Nederland. De cirkel is rond! In de bouwput van de Markthal vonden de archeologen van het BOOR een boerderij uit de tijd van Rotta…

Vondsten uit de Laat-Romeinse periode en uit het begin van de Middeleeuwen zijn schaars. Misschien wonen er nog wat mensen op vroegere strandwallen langs de kust of op oeverwallen langs de Maas?

Pas vanaf de 7e eeuw komt de bewoning weer op gang. In 1028 is in een historische bron de eerste vermelding van de kerk van Rotta: de vroegste voorloper van Rotterdam. We kennen deze plaats al van archeologische vondsten uit de 8e-9e eeuw. Ook langs de zuidoever van de Maas ontstaan nederzettingen, zoals Witla. In 836 wordt Witla verwoest door de Vikingen.

Late Middeleeuwen: ontginningen en nederzettingen

Rond het jaar 1000 is de ontginning van het Maasmondgebied in volle gang. Struiken en bomen worden gekapt en met duizenden ontginningssloten wordt het land droger gemaakt. De bodem begint 'in te klinken' en het land komt lager te liggen. Hierdoor moeten weer  kades en dijken aangelegd worden. Het helpt uiteindelijk niet. In de loop van de 12e eeuw en later worden grote delen van het land verwoest door overstromingen. En opnieuw moet men dijken bouwen.

Vanaf de 13e eeuw worden op en langs de nieuwe dijken groepen huizen gebouwd. Sommige groeien uit tot ommuurde steden: Brielle, Geervliet, Schiedam en Rotterdam. Uit deze periode kennen we verdedigbare stenen huizen en kastelen van adellijke families. Andere belangrijke gebouwen die door archeologen zijn onderzocht, zijn kerken, kloosterterreinen en verdedigingswerken (stadsmuren, -poorten en -torens). 

Nieuwe tijd: de archeologie als aanvulling op de geschiedenis

Lange tijd blijft het gebied hetzelfde van karakter. Steden met daaromheen stadswallen, verspreid in het land kleine dorpen en her en der losse boerderijen in de polders. Eigenlijk is het landschap op veel plaatsen tot in 20e eeuw zo gebleven. In deze Nieuwe tijd bestaan natuurlijk steeds meer en betere geschreven bronnen. Toch kan de archeologie soms nog verrassende aanvullende informatie over het verleden geven.

Gratis app: wandeling door middeleeuws Rotterdam

Tijdens deze wandeling komt u langs plaatsen waar middeleeuws Rotterdam nog te beleven is. Met leuke vragen is het een leerzame speurtocht voor jong en oud.

Download de gratis izi.TRAVEL-app (Apple, Android), of zoek op 'middeleeuws rotterdam' (Windows).

Archeologisch belangrijke plaatsen

Deze 42 bijzondere archeologische vindplaatsen (monumenten) zijn beschermd door de Archeologieverordening Rotterdam 2009. Dit betekent dat de bodem op deze plaatsen niet of zo min mogelijk verstoord mag worden. De archeologische waarden zijn daar van grote betekenis voor de geschiedenis van de stad.

Archeologiebeleid

Al in de jaren zestig deden Rotterdamse archeologen veldonderzoek in de regio. Tegenwoordig treedt het beleidsteam van de afdeling Archeologie nog steeds op als adviseur van een aantal buurgemeenten. Het gaat om Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Nissewaard, Ridderkerk, Schiedam en Westvoorne. Met de meeste van deze gemeenten heeft Rotterdam een ‘gemeenschappelijke regeling’ voor archeologie afgesloten. Op basis daarvan worden bouwplannen en onderzoeksrapporten getoetst, en Programma’s van Eisen voor archeologisch onderzoek geschreven. Het veldonderzoek in de regiogemeenten wordt meestal door archeologische bedrijven uitgevoerd. Wanneer andere partijen archeologisch onderzoek doen in Rotterdam of in één van de acht gemeenten, gelden daarvoor richtlijnen.

Het grondgebied van wat nu gemeente Rotterdam is al eeuwenlang door mensen bewoond. Dit zijn bijvoorbeeld de jagers en verzamelaars uit de Steentijd. Of de mensen die in de Middeleeuwen op en rond de dam in de Rotte woonden.

Om te voorkomen dat deze sporen uit het verleden zomaar bij bouwwerkzaamheden verdwijnen, is een aantal regels opgesteld. Als er ergens in gemeente Rotterdam gebouwd of ontwikkeld wordt en de bodem wordt daarbij verstoord, moet er met archeologische waarden rekening gehouden worden. Bijvoorbeeld bij de aanleg van een parkeergarage, kelders of een waterpartij, maar ook bij heien. Het BOOR zorgt voor een goede afweging van die archeologische belangen. Maar ook voor een ongehinderde voortgang van het ruimtelijke ordeningsproces. Dat betekent tijdig de archeologie in beeld brengen en maatwerk per project.

Vergunningen

Voor de meeste bodemingrepen is een vergunning nodig. Sinds oktober 2010 is een groot aantal verschillende vergunningen samengevoegd in de omgevingsvergunning. Via het Omgevingsloket online (OLO) kan iedereen in een aantal stappen een vergunning aanvragen. Als u meer wil weten over de rol van archeologie bij uw vergunningaanvraag kunt u contact opnemen met het BOOR.

Uit bestemmingsplannen of de Archeologische Waardenkaart Rotterdam blijkt of er archeologische waarden bekend zijn of verwacht worden op een bepaalde plaats. Vervolgens is de vraag of de geplande bodemingreep (diepte, oppervlakte, aard van de ingreep) die waarden kan aantasten. De gemeente Rotterdam (het BOOR) is bevoegd gezag en besluit of archeologisch onderzoek nodig is. Voor al het veldonderzoek geldt: de kosten zijn voor rekening van degene die de bodem (en dus de archeologische waarden) verstoort. 

Stappenplan

  • Het proces van archeologische monumentenzorg vindt in een aantal stappen plaats. Na iedere stap wordt besloten of een vervolg nodig is, of dat de bouw- en andere plannen van start kunnen gaan zonder verder archeologisch onderzoek. Vaak is dat al na een van de stappen het geval.
  • De eerste stap is een bureauonderzoek. Dit betekent dat er met bestaande gegevens (bodemkaarten, historische plattegronden en andere bronnen, resultaten van eerder archeologisch onderzoek) een verwachting wordt opgesteld. Wat zit hier in de bodem en is een vooronderzoek in het veld nodig of niet. Het BOOR voert dit bureauonderzoek kosteloos uit. Dit doet ze in de vorm van een quick scan (een archeologische toets op het bouwplan). Zo krijgen initiatiefnemers snel duidelijkheid over eventueel benodigde vervolgstappen.
  • Is een vervolgonderzoek in het veld nodig, dan stelt het BOOR (team Beheer & Beleid) een Programma van Eisen (PvE) op. Hierin staat omschreven hoe het onderzoek uitgevoerd moet worden en wat de onderzoeksvragen zijn. Met het PvE kunnen offertes worden aangevraagd. De archeologen van het team Onderzoek & Rapportage kunnen het veldonderzoek desgewenst uitvoeren.
  • De volgende stap is een archeologisch vooronderzoek in het veld. Meestal bestaat de eerste fase uit een verkennend onderzoek door grondboringen. Met een boor (een guts of een mechanische boor) wordt de bodemopbouw bestudeerd. Zijn de verwachte bodemlagen intact aanwezig, dan kan een karterend booronderzoek volgen. Daarbij wordt meer in detail gezocht naar aanwijzingen voor archeologische resten.
  • Bij de aanwezigheid van archeologie kan dit onderzoek weer leiden tot het graven van proefsleuven. Dit is zogenaamd waarderend onderzoek. Op deze manier wordt beoordeeld wat de waarde (aard, ouderdom, conservering) is van de aanwezige archeologische vindplaatsen. Zijn de ontdekte archeologische waarden van zo'n groot belang dat ze behouden moeten worden, dan wordt gekeken of dat mogelijk is. Bijvoorbeeld door het bouwplan aan te passen (minder diep graven, andere plek, ander type fundering). Is dat geen optie, dan moet de vindplaats, of een deel ervan, worden gedocumenteerd door deze op te graven.

Van elke fase van onderzoek verschijnt een rapport. De wet schrijft voor dat dit rapport beschikbaar moet zijn binnen twee jaar nadat het veldwerk is afgerond. Bij kleine (boor)onderzoeken is het rapport veel sneller beschikbaar, zodat  het ruimtelijke ordeningsproces snel doorgang kan vinden. Alle documentatie van de archeologische onderzoeken (tekeningen, foto’s) en de vondsten worden naar het depot overgebracht. Hier worden de vondsten onder speciale condities bewaard.

Heeft u een bouwproject in het havengebied? of moet u een omgevingsvergunning aanvragen?

Deze informatie is bedoeld voor initiatiefnemers van projecten in het Rotterdamse havengebied. Projecten waarbij de bodem wordt verstoord en dus mogelijk archeologie aan de orde is. Het tijdig inschakelen van het gemeentelijke BOOR levert snelheid op en voorkomt onnodige kosten.

Stappen archeologie

Het proces van archeologische monumentenzorg vindt in een aantal stappen plaats. Na iedere stap wordt besloten of een vervolg nodig is. En of het (bouw)project van start kan gaan. Het best kunt u uw plannen door het BOOR laten toetsen vóór u opdracht geeft voor het uitvoeren van archeologisch veldonderzoek. En liefst ook al vóór het aanvragen van een vergunning. In veel gevallen staat archeologie de vergunningverlening niet in de weg en hoeven dus geen extra kosten gemaakt te worden. Na iedere stap in het proces van archeologisch onderzoek wordt besloten of een vervolg nodig. En dus of het (bouw)project van start kan gaan.

Plantoets (bureauonderzoek)

De eerste stap is het kosteloos laten toetsen (via een bureauonderzoek of quick scan) van het bouwplan door BOOR. Bij het toetsen wordt rekening gehouden met:

  • recente bodemverstoringen
  • ophogingen
  • aanwezige bebouwing op perceelsniveau

Verder wordt gekeken naar de kenmerken van de geplande bodemingreep in relatie tot de archeologische verwachting op die plek. Via bodemkaarten, historische kaarten en al uitgevoerd archeologisch onderzoek. Dit is maatwerk, kosteloos uitgevoerd door archeologisch deskundigen van het BOOR.

De uitkomst van de plantoets wordt in een brief toegelicht. Alleen in enkele gevallen blijkt veldonderzoek nodig, in de meeste gevallen volstaat de brief van BOOR. Deze brief moet u bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voegen. In de behandeling van de omgevingsvergunning door de gemeente Rotterdam levert deze stap geen vertraging en geen extra kosten op.

Vooronderzoek in het veld

In een beperkt aantal gevallen is vooronderzoek in het veld nodig. Dit bestaat meestal uit een verkennend onderzoek door grondboringen en/of sonderingen. Met deze boringen (met een guts of een mechanische boor) wordt de bodemopbouw bestudeerd. Zijn de verwachte bodemlagen intact aanwezig en de lagen kansrijk voor bewoning in het verleden? Dan kan een karterend booronderzoek volgen.

Met een karterend booronderzoek wordt in detail gezocht naar archeologische resten. Bij de aanwezigheid van archeologie kan dit onderzoek leiden tot waarderend onderzoek in de vorm van het graven van proefsleuven of het uitvoeren van nader onderzoek in boorkernen. Ook vanaf het water kan met verschillende technieken nader onderzoek worden verricht. Op deze manier wordt beoordeeld wat de waarde (aard, ouderdom, conservering) is van de aanwezige archeologische vindplaatsen.

Behoud of opgraven

Zijn de ontdekte archeologische waarden van zo'n belang dat ze behouden moeten worden? Dan wordt gekeken of dat mogelijk is. Bijvoorbeeld door het bouwplan aan te passen (minder diep graven, andere plaats, ander type fundering). Is dat geen optie, dan moet (een deel van) de vindplaats worden gedocumenteerd door deze op te graven. Is de verstoring uitsluitend door het aanbrengen van heipalen? Dan wordt gekeken of er voldoende intact blijft om onderzoek in de toekomst mogelijk te maken.

Alle documentatie van de archeologische onderzoeken (tekeningen, foto’s) en de vondsten worden naar het gemeentelijke depot overgebracht. Hier worden de vondsten onder speciale condities bewaard en gebruikt voor nader onderzoek of publieksdoeleinden (tentoonstellingen, publicaties etc.).

Tijd en kosten

De plantoets wordt door het BOOR kosteloos uitgevoerd, doorgaans binnen een week. Bij kleine (boor)onderzoeken is de uitkomst snel beschikbaar, zodat het vergunningproces doorgang kan vinden. Van elke fase van onderzoek verschijnt een rapport.

Rapportages die niet door BOOR zijn opgesteld moeten door de gemeente Rotterdam te worden goedgekeurd. Een door de gemeente opgesteld (of goedgekeurd) Programma van Eisen (PvE) is verplicht. Het BOOR stelt deze PvE’s kosteloos op. Het PvE omschrijft hoe het onderzoek uitgevoerd moet worden en wat de onderzoeksvragen zijn. Hiermee kan de initiatiefnemer offertes aanvragen. Desgewenst kunnen archeologen van het BOOR het veldonderzoek uitvoeren. 

De kosten van het veldonderzoek zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten zijn sterk afhankelijk van het soort onderzoek en de grootte van het gebied. 

Wat zit er in de bodem?

Het Rotterdamse havengebied omvat vele vierkante kilometers en is heel divers. Van de Maasvlakte tot de Nieuwe Maas en van overslagterreinen tot gasopslag. Er is veel gebaggerd, opgehoogd en geheid. Het is een rijk gebied, met voor een deel uniek te noemen resten van het verleden.

  • Op de bodem van de Noordzee en in de diepe ondergrond van zowel havens als land is het landschap uit de steentijd deels intact. Het gaat dan om de periode vanaf 9000 voor Christus. Het bevindt zich op een diepte van soms wel 20 meter. Het is afgedekt door jongere lagen en daardoor goed bewaard gebleven. Recent zijn bij onderzoek in de Yangtzehaven resten van een kamp van jagers-verzamelaars uit deze periode teruggevonden. Onder meer werktuigen en voedselresten.
  • Ook liggen op en deels in de bodem van schepen uit diverse periodes. Bijvoorbeeld uit de Romeinse tijd en Middeleeuwen tot de 18e en 19e eeuw. Op de Maasvlakte liggen deze op dieptes tussen de 3 en 12 meter beneden NAP.
  • In onder meer het Botlekgebied zitten in de bodem resten verborgen van bewoning. Uit Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen. In deze laatste periode werd op en langs dijken gewoond. De Vondelingenplaat maakte deel uit van het eiland IJsselmonde, dat in de 13e en 14e eeuw werd bedijkt. 

Het bestemmingsplan als toetsingskader

Bij de totstandkoming van een bestemmingsplan voert de gemeente een inventarisatie van actuele archeologische waarden en verwachtingen uit. Ze stelt, daarop gebaseerd, regels vast. Dit leidt meestal tot één of meer dubbelbestemmingen met ‘Waarde - Archeologie’, gekoppeld aan verschillende dieptes en oppervlaktes van bodemingrepen. Eind 2013 zijn voor het Rotterdamse havengebied drie nieuwe bestemmingsplannen vastgesteld: ‘Maasvlakte 1’, ‘Europoort en Landtong’ en ‘Botlek-Vondelingenplaat’. In deze gebieden geldt sindsdien de verplichting tot het laten opstellen van een archeologische rapportage. Dit is afhankelijk van de specifieke bodemingreep (diepte, oppervlakte) en plaats. Voor Maasvlakte 2 geldt een soortgelijke verplichting. Worden die grenzen overschreden dan moet een archeologisch rapport worden opgesteld, om zo een omgevingsvergunning te krijgen.

Cultureel erfgoed

Archeologisch onderzoek kan ook door andere regelgeving verplicht zijn, zoals bij ontgrondingen, een m.e.r. of bij rijksprojecten. Meer daarover vindt u onder meer op de website van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. En op de website van de provincie Zuid-Holland.

Meer informatie

BOOR
Ceintuurbaan 213b
3051 KC Rotterdam
Telefoon (010) 489 85 00

Afdeling Vergunningen
Postbus 6575
3002 AN Rotterdam
Telefoon: 14 010

Het Europese ‘Verdrag van Malta’ vormt de basis voor het huidige archeologiebeleid in Nederland. Dit verdrag is in 1992 door een groot aantal landen ondertekend. De wet tot goedkeuring is in 2006 door de Tweede Kamer aangenomen.

In het verdrag is onder andere afgesproken dat voor elke bodemingreep gekeken moet worden of er archeologische resten in de bodem zitten. Blijkt na onderzoek dat deze resten belangrijk zijn? Dan kunnen ze, door bijvoorbeeld de bouwplannen aan te passen, het best in de bodem blijven zitten. Dit noemen we 'in situ' bewaren. Als dit niet mogelijk is, wordt een opgraving uitgevoerd op kosten van de verstoorder.

In 2007 is de ‘Wet op de archeologische monumentenzorg’ (Wamz) van kracht geworden. Daarmee zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving ingevuld. Elke gemeente is verplicht zelf zorg te dragen voor de archeologische waarden binnen de gemeentegrenzen. Dit heeft de gemeente Rotterdam gedaan via een aantal beleidsinstrumenten.

Archeologie en de wet in Rotterdam

In Rotterdam is in 2008 de Beleidsnota Archeologie Rotterdam vastgesteld. In deze nota wordt aangegeven hoe de gemeente met archeologie omgaat. De volgende instrumenten spelen daarbij een rol:

  • De Archeologische Waarden- en Beleidskaart van Rotterdam (AWK 2005). Hierop staat voor het hele gemeentelijke grondgebied wat de kans is op het aantreffen van archeologie en wat het beleid is.
  • De Archeologieverordening Rotterdam (AVR 2009). Via de verordening worden de 42 gemeentelijke archeologische monumenten, de ‘Archeologisch Belangrijke Plaatsen’ beschermd. Ook regelt de verordening een meldingsplicht bij bodemverstoringen (zie onder).
  • In elk bestemmingsplan wordt een aparte paragraaf opgenomen. Deze gaat over de archeologische waarden en verwachtingen in dat gebied en daaraan gekoppelde regels (vergunningen).
  • Wanneer de archeologieparagraaf in het bestemmingsplan ontbreekt, dan geldt volgens de Archeologieverordening een meldingsplicht. Dit is het geval bij oudere bestemmingsplannen. Wie de bodem gaat verstoren moet kijken op de AWK (2005) welke regels gelden. Diegene moet ook de plannen voor bouw of aanleg melden.

In Rotterdam is in 2008 de Beleidsnota Archeologie Rotterdam vastgesteld. In deze nota wordt aangegeven hoe de gemeente met archeologie omgaat.

Meer informatie

BOOR
Ceintuurbaan 213b
3051 KC Rotterdam
Telefoon: (010) 489 85 00