restaurants alleen voor voorname lieden

 

06 november 2009

Leverende organisatie  | Aangeleverd op 02-12-2009

In de rubriek 'Toen' op de Rotterdampagina van De Telegraaf wordt iedere week aan de hand van de actualiteit teruggegrepen op vroeger. Dat gebeurt in samenwerking met het Gemeentearchief Rotterdam. Deze week: restaurants in Rotterdam, omdat de Maasstad deze week is uitgeroepen tot culinaire hoofdstad.

Hotel-restaurant Nanking aan de Atjehstraat. Anonieme foto (1950)

Hotel-restaurant Nanking aan de Atjehstraat. Anonieme foto (1950)

Door de tijd heen kende Rotterdam vele restaurants. Alleen werden ze toen logementen of herbergen genoemd. In de achttiende eeuw at de Rotterdammer bij voorkeur in de Oranjeboom, de Stadsdoelen, de Maréchal de Turenne aan de Blaak en 't Swijnshooft en de Dubbele Sleutel op de Grotemarkt. Uiteraard was dit alleen weggelegd voor voorname lieden. De Oranjeboom, die een half uur van Rotterdam aan de weg naar Hillegersberg lag, werd omschreven als een 'vermakelijke' herberg. In 1779 namen bijvoorbeeld de Prins van Oranje met zijn gezin en de hertog van Brunswijk er hun intrek.

Het belangrijkste logement was wel 't Swijnshooft, waar bijvoorbeeld in 1780 de hertog en hertogin van Meckelenburg logeerden. In 1764 was het in handen van erfgenamen van de Keulse familie Weisweiler. Op 27 oktober 1787 werd er bij gelegenheid van het herstel van de stadhouder een souper en bal gehouden. Honderdvijftig genodigden, onder wie allerlei Britse edellieden en kopstukken uit Holland, feestten er tot aan de morgenstond.
Aan het eind van de achttiende eeuw kwamen er nieuwe etablissementen: Crabb aan de Wijnhaven, de Zwarte Leeuw in de Wijnstraat en het logement 't Klein Schippershuis aan de Spaanse Kade. Dit laatste pand was in 1786 gekocht door Pieter Isaak Annokké. Hij begon daar met wat wij tegenwoordig een horecabedrijf zouden noemen. 't Klein Schippershuis werd een gerenommeerde herberg en was schilderachtig gelegen op één van de schilderachtigste punten van de havenwijk.

Na 1800 kwamen de logementen De Gouden Voet en 't Hoogduitsche Koffyhuis. In 1833 kon men voor de eerste maal terecht bij kastelein Leygraaff aan het Ponteveer, ook wel genaamd de Nieuwe Stadsherberg aan het Nieuwe Werk. Boven Sociëteit Amicitia kon men in 1856 terecht en een jaar later in het Yachtclubgebouw.
Willem Rosenberg was uitbater van het Kasteel van Antwerpen in de Hoofdsteeg. In 1798, toen de Maas was dichtgevroren, adverteerde hij dat hij tussen het Oude en het Nieuwe Hoofd stond met een royale tent met kachels erin. Het was niet mis wat er kon worden gegeten: 'Beef Steakes' 'Lams-Coteletten', 'Kalfs-Carbonaden' en 'Gebakjes, goede Punch en Conjacq-Brandewijn' en andere 'Ververschingen'. Het was een soort snelbuffet op het ijs.
Nog tot na de Tweede Wereldoorlog was 'uit eten' een aangelegenheid voor de betere stand. Met de komst van de automatieken, snackbars, 'de chinees' en de eetcafés werd buiten de deur eten ook toegankelijk voor een veel breder publiek.

Deze pagina is succesvol verzonden

Afbeelding voor het bijhouden van paginastatistieken