archeologie: hoe werkt dat?

 

12 november 2010

Leverende organisatie  | Aangeleverd op 29-03-2011

Het grondgebied van wat nu de gemeente Rotterdam is al eeuwenlang door mensen bewoond. Dit zijn bijvoorbeeld de jagers en verzamelaars uit de Steentijd of de mensen die in de Middeleeuwen op en rond de dam in de Rotte woonden. Om te voorkomen dat deze sporen uit het verleden zomaar bij bouwwerkzaamheden verdwijnen, is een aantal regels opgesteld.

Als er ergens in de gemeente Rotterdam gebouwd of ontwikkeld gaat worden en de bodem wordt daarbij verstoord (bijvoorbeeld door de aanleg van een parkeergarage, kelders of een waterpartij, maar ook door heien), moet er met archeologische waarden rekening gehouden worden.
Het BOOR zorgt voor een goede afweging van die archeologische belangen, maar ook voor een ongehinderde voortgang van het ruimtelijke ordeningsproces. Dat betekent tijdig de archeologie in beeld brengen en maatwerk per project.

Voor de meeste bodemingrepen is een vergunning nodig. Sinds oktober 2010 is een groot aantal verschillende vergunningen samengevoegd in de omgevingsvergunning. Via het Omgevingsloket online (OLO) kan iedereen in een aantal stappen een vergunning aanvragen. Als u meer wil weten over de rol van archeologie bij uw vergunningaanvraag kunt u contact opnemen met het BOOR.

Uit bestemmingsplannen of de Archeologische Waardenkaart Rotterdam blijkt of er archeologische waarden bekend zijn of verwacht worden op een bepaalde locatie. Vervolgens is de vraag of de geplande bodemingreep (diepte, oppervlakte, aard van de ingreep) die waarden kan aantasten. De gemeente Rotterdam (het BOOR) is bevoegd gezag en besluit of archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Voor al het veldonderzoek geldt dat de kosten voor rekening zijn van degene die de bodem (en dus de archeologische waarden) verstoort. 

Stappenplan

Het proces van archeologische monumentenzorg vindt in een aantal stappen plaats. Na iedere stap wordt besloten of een vervolg nodig is, of dat de bouw- en andere plannen van start kunnen gaan zonder verder archeologisch onderzoek. Vaak is dat al na een van de stappen het geval.

De eerste stap is een bureauonderzoek. Dit betekent dat er op basis van bestaande gegevens (bodemkaarten, historische plattegronden en andere bronnen, resultaten van eerder archeologisch onderzoek) een verwachting wordt opgesteld: wat zit hier in de bodem en is een vooronderzoek in het veld nodig of niet. Het BOOR voert dit bureauonderzoek kosteloos uit in de vorm van een quick scan (een archeologische toets op het bouwplan) , zodat initiatiefnemers snel duidelijkheid krijgen over eventueel benodigde vervolgstappen.

Is een vervolgonderzoek in het veld nodig, dan stelt het BOOR (team Beheer & Beleid) een Programma van Eisen (PvE) op. Hierin staat omschreven hoe het onderzoek uitgevoerd dient te worden en wat de onderzoeksvragen zijn. Met het PvE kunnen offertes worden aangevraagd. De archeologen van het team Onderzoek & Rapportage kunnen het veldonderzoek desgewenst uitvoeren.

De volgende stap is een archeologisch vooronderzoek in het veld. Meestal bestaat de eerste fase uit een verkennend onderzoek door middel van grondboringen. Met een boor (een guts of een mechanische boor) wordt de bodemopbouw bestudeerd. Als de verwachte bodemlagen intact aanwezig zijn kan een karterend booronderzoek volgen – dan wordt meer in detail gezocht naar aanwijzingen voor archeologische resten.

Bij de aanwezigheid van archeologie kan dit onderzoek weer leiden tot het graven van proefsleuven, zogenaamd waarderend onderzoek. Op deze manier wordt beoordeeld wat de waarde (aard, ouderdom, conservering) is van de aanwezige archeologische vindplaatsen.

Zijn de ontdekte archeologische waarden van dusdanig belang dat ze behouden moeten worden, dan wordt gekeken of dat mogelijk is. Bijvoorbeeld door het bouwplan aan te passen (minder diep graven, andere locatie, ander type fundering). Is dat geen optie, dan moet de vindplaats, of een deel ervan, worden gedocumenteerd door deze op te graven.

Van elke fase van onderzoek verschijnt een rapport. De wet schrijft voor dat dit rapport beschikbaar moet zijn binnen twee jaar nadat het veldwerk is afgerond. Bij kleine (boor)onderzoeken is het rapport veel sneller beschikbaar, zodat  het ruimtelijke ordeningsproces snel doorgang kan vinden. Alle documentatie van de archeologische onderzoeken (tekeningen, foto’s) en de vondsten worden naar het depot overgebracht. Hier worden de vondsten onder speciale condities bewaard.

Deze pagina is succesvol verzonden

Afbeelding voor het bijhouden van paginastatistieken